Cashbonus ipv aandelenrechten: mag een voorziening?
Vijf werknemers krijgen van de Franse moedervennootschap van hun werkgever voorwaardelijke rechten op aandelen. Zij ontvangen die aandelen alleen als zij na vier jaar nog in dienst zijn én aan bepaalde prestatiedoelen voldoen. Voordat de voorwaarden zijn vervuld, vindt een overname plaats. De nieuwe eigenaar doet de werknemers een voorstel: lever de voorwaardelijke aandelenrechten in en ontvang daarvoor een cashbonus. De cashbonus is niet gekoppeld aan de aanwezigheid in het bedrijf, prestaties of andere voorwaarden. Alle werknemers accepteren dit aanbod. Daardoor krijgen zij uiteindelijk geen aandelen, maar een bonus van in totaal ruim € 630.000, uit te betalen in 2016 en 2018. Achteraf blijkt dat bij geen van de vijf werknemers zou zijn voldaan aan de voorwaarden om de rechten op aandelen onvoorwaardelijk te doen worden.
Voorziening
De Nederlandse werkgever wil deze toekomstige kosten al in 2015 verwerken door een fiscale voorziening te vormen. De inspecteur wijst dit verzoek af. Volgens hem valt de regeling onder de wettelijke aftrekbeperking voor aandelen- en optieregelingen. Die bepaling voorkomt dat een onderneming de kosten van aan werknemers toegekende aandelen of optierechten van de winst aftrekt. Volgens de inspecteur maakt het daarbij niet uit dat de rechten nog onder voorwaarden zijn toegekend.
Aftrekbeperking
De Hoge Raad ziet dat anders. Volgens de Hoge Raad ontstaat pas een daadwerkelijk aandelen- of optierecht als aan de opschortende voorwaarden is voldaan. Zolang dat niet gebeurt, kunnen werknemers hun rechten niet afdwingen. In deze zaak worden de voorwaardelijke rechten al eerder ingeruild voor een cashbonus. De voorwaarden worden dus nooit vervuld. Daardoor ontstaat fiscaal gezien nooit een aandelen- of optierecht waarop de aftrekbeperking van toepassing is.
Cashbonus
De cashbonus is daarom geen aandeelhouderslast die niet aftrekbaar is, maar een gewone ondernemingsuitgave. De werkgever mag hiervoor een voorziening vormen en die ten laste van de winst brengen.
Lening met lage rente blijkt te hoog gewaardeerd
Een financieringsvennootschap krijgt binnen het concern een vordering van $ 207,7 miljoen op een werkmaatschappij in Kazachstan. De rente ligt ver onder de marktrente en de werkmaatschappij hoeft pas in 2031 iets te betalen. Als de vennootschap in 2018 naar Hongarije verhuist, claimt zij op die vordering een verlies van $ 37,6 miljoen. Het hof vindt dat verlies niet aftrekbaar. De vordering had vanaf het begin voor een lager bedrag op de balans moeten staan en dan is er bij vertrek geen verlies.
Minder waard dan op papier
De waarde van een vordering is niet altijd gelijk aan de nominale waarde. Stel dat iemand belooft je over vijftien jaar € 100 terug te betalen, zonder rente. Een koper betaalt daar vandaag flink minder voor, want elders levert zijn geld rente op. Die lagere prijs heet de contante waarde. De werkmaatschappij betaalt 0,1 procentpunt boven het interbancaire tarief, terwijl partijen een opslag van 2,75 procentpunt zakelijk vinden. Betalen hoeft pas op 1 februari 2031. De contante waarde van de vordering is daardoor fors minder dan $ 207,7 miljoen.
Afrekenen bij vertrek
De vennootschap zet de vordering toch voor het volle bedrag op haar balans. Voor de Belastingdienst telt zij elk jaar een zakelijke rente bij haar winst. Op 25 juli 2018 verhuist haar feitelijke leiding naar Hongarije. Bij zo'n vertrek moet er worden afgerekend alsof de vennootschap haar bezittingen verkoopt tegen de werkelijke waarde. Voor de vordering is dat $ 170,1 miljoen. Het verschil met de balanswaarde neemt de vennootschap als verlies. De inspecteur weigert de aftrek.
Meteen de lagere waarde
Volgens het hof verkrijgt de vennootschap de vordering op 9 december 2016 door een overdracht binnen het concern. Een nieuwe bezitting hoort op de balans voor haar werkelijke waarde. Hier is dat de contante waarde. Doorslaggevend is dat vóór 2031 niets opeisbaar is. Daardoor staat al bij de verkrijging vast hoeveel rente de vennootschap misloopt. Elk jaar groeit de waarde daarna richting het volle bedrag, en die groei telt als winst.
Fout alsnog hersteld
De vordering staat dus sinds 2016 te hoog op de balans. Zo'n balansfout mag de inspecteur herstellen in het oudste jaar dat nog openstaat. Hier is dat 2018: over 2017 heeft hij na de rechtbankuitspraak geen belang bij hoger beroep. Op 1 januari 2018 staat de vordering daarom voor de contante waarde van $ 166,5 miljoen op de balans. Met een waarde van $ 170,1 miljoen bij vertrek is er dus geen verlies.
Wie een vordering afwaardeert, moet eerst bewijzen dat die bestaat
Een afwaardering van een vordering begint niet bij de vraag of de lening zakelijk is, maar bij het dossier waaruit blijkt dat de lening bestaat. Een leningsovereenkomst, een corresponderende schuld bij de debiteur en een consequente vermelding in beide aangiften zijn geen formaliteiten, maar het bewijs zelf.
Een lening uit 2006
Een vennootschap bestaat sinds 1996 en heeft één aandeelhouder. Die aandeelhouder houdt daarnaast 50% van de aandelen in de latere debiteur, die in 2006 een voormalige slipbaan koopt. Voor die aankoop verstrekt de vennootschap naar eigen zeggen een lening. Haar jaarrekening 2017 toont per eind 2016 een vordering van € 95.397, die met bijgeschreven rente van 5% oploopt tot € 147.544. Een jaar later is die post verdwenen en loopt € 142.504 als buitengewone last door de winst-en-verliesrekening. De debiteur wordt in maart 2018 ontbonden.
Bewijslast bij de inspecteur
De inspecteur laat de last niet in aftrek toe. Hij stelt het verlies bij beschikking vast op € 116.485. Volgens hem is de vordering een onzakelijke lening, want geen derde zou dit debiteurenrisico aanvaarden. De rechtbank legt de bewijslast daarvoor bij de inspecteur en oordeelt dat de inspecteur daar niet in slaagt. Het verlies gaat conform de aangifte naar € 258.989. In hoger beroep stelt de inspecteur primair dat er geen vordering is. Dat keert de bewijspositie om.
Nergens een spoor
Wie een last opvoert, moet die zelf aannemelijk maken. De jaarrekening 2017 van de debiteur vermeldt geen corresponderende schuld. In de aangiften vennootschapsbelasting over 2010 tot en met 2014 noemt geen van beide vennootschappen de lening. Ook de jaarrekening 2007 van de belastingplichtige, het jaar na de gestelde lening, toont geen vordering op de debiteur, maar alleen een deelneming en enkele kortlopende vorderingen. Dat valt niet te rijmen met een lening uit 2006 voor de slipbaan. Verdere bewijsstukken ontbreken.