Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Toch laag btw-tarief voor parkeren bij attractiepark

Het bieden van parkeergelegenheid in de buurt van het attractiepark Toverland kan volgens Hof Den Bosch onder omstandigheden wel ondergeschikt zijn aan het parkbezoek. In zo’n situatie geldt het lage btw-tarief.

De Hoge Raad ziet het aanbieden van parkeergelegenheid bij een attractiepark, nationaal park of iets dergelijks in beginsel als een afzonderlijke dienst, waarvoor het normale tarief geldt. Alleen in uitzonderlijke situaties vormt het aanbieden van parkeerplaatsen een ondergeschikte dienst. In een recente zaak oordeelt Hof Den Bosch dat het bieden van parkeergelegenheid tegen betaling bij een attractiepark geen doel op zich is. De redenering van het hof is als volgt. In de desbetreffende zaak zijn de openingstijden van de parkeerplaats afgestemd op die van het park. Op alle toegangswegen langs het attractiepark Toverland geldt een parkeerverbod. De dichtstbijzijnde openbare parkeerplaats ligt zo’n twee kilometer van het park af. Wie het park met de auto bezoekt, moet dan ook de parkeerplaats van het park gebruiken. Verder speelt een rol dat in de buurt van het park er geen andere attracties of activiteiten zijn die het voor niet-bezoekers aantrekkelijk maakt om te parkeren op het parkeerterrein bij het attractiepark. Daarnaast komt ongeveer 80% van de parkbezoekers met de auto. Het plaatselijk openbaar vervoer kan namelijk geen grote aantallen bezoekers verwerken. Het hof ziet daarom parkeren in het desbetreffende geval als een middel om het parkbezoek te optimaliseren. Het aanbieden van parkeerplaatsen vormt hier een bijkomende prestatie. De vergoeding voor deze prestatie valt dan ook onder hetzelfde verlaagde btw-tarief als de hoofdprestatie.

Bron: Hof Den Bosch 25-04-2019

Rentevoordeel personeelslening berekenen bij afsluiten

Een werkgever kan zijn werknemer een personeelslening verstrekken tegen een gunstige rente. Als de lening voor de werknemer een eigenwoningschuld is, behoort het rentevoordeel tot het belastbare loon van de werknemer. Volgens Rechtbank Gelderland dient men het rentevoordeel te berekenen aan de hand van de rentestanden op het moment van afsluiten van de lening.

Een man sluit in 1991 een aflossingsvrije hypothecaire geldlening bij zijn werkgever. Op 1 januari 2016 is de schuld opgebouwd uit vijf leningen en bedraagt in totaal bijna € 160.000. Over dat bedrag moet de man gemiddeld 3,4% rente betalen. Wanneer de man uit dienst treedt, zet hij de lening met gebruikmaking van de personeelsfaciliteit voort met het bijbehorende rentepercentage. Op 16 februari 2017 heeft de man zijn lening overgesloten bij een andere partij tegen een lager percentage. De man vindt dat hij over de jaren 2016 en 2017 geen rentevoordeel heeft genoten. Volgens de man moet de inspecteur de betaalde rente vergelijken met de rente in het jaar waarin het voordeel zou zijn behaald. De rechtbank oordeelt dat de man wel een rentevoordeel heeft genoten. Men moet per lening het overeengekomen rentepercentage vergelijken met het rentepercentage van soortgelijke leningen die worden afgesloten in de vrije markt, aldus de rechtbank. Bij deze vergelijking gaat het om de rente op de vrije markt op het moment waarop de partijen de leningen afsluiten. De rechtbank oordeelt dat de Belastingdienst het rentevoordeel op de juiste manier heeft berekend. De rechtbank verklaart het beroep van de man daarom ongegrond.

Bron: Rb. Gelderland 09-03-2018 (gepubl. 02-07-2019),

Notaris blijft nodig voor oprichting bv

Ook in de toekomst zal de notaris een rol spelen bij de oprichting van een bv. Dit heeft minister Dekker voor Rechtsbescherming aangegeven in antwoord op vragen in de Tweede Kamer.

Op grond van een Europese richtlijn kunnen bepaalde kapitaalvennootschappen, waaronder de bv, in de toekomst langs digitale weg worden opgericht. Dekker heeft echter aangegeven dat Nederland gebruik zal maken van de mogelijkheid om de rol van de notaris bij oprichting van een bv te handhaven. Weliswaar wordt onderzocht of de digitale oprichting van een bv via een digitale akte kan plaatsvinden, maar daarbij zal dus wel gewoon een notaris betrokken zijn. Hierbij speelt een belangrijke rol dat de vereenvoudiging van de oprichting van kapitaalvennootschappen niet ten koste moet gaan van de waarborgen tegen misbruik en fraude.
Verder heeft de minister aangegeven dat hij zich niet herkent in het beeld dat het aantal fraudegevallen met bv’s is toegenomen sinds per 1 juli 2011 geen verklaring van geen bezwaar meer nodig is voor de oprichting van een bv. Het preventieve toezicht is vervangen door een doorlopend toezicht, maar de notaris speelt nog steeds een rol bij de oprichting van een bv, wat bijdraagt aan het voorkomen en bestrijden van misbruik van rechtspersonen. Volgens Dekker wordt fraude met bv’s (en andere kapitaalvennootschappen) tegenwoordig beter herkend.

Bron: Tweede Kamer, 1-7-2019

Afwaardering vordering niet toegestaan bij hoge zekerheid

Om een vordering fiscaal te mogen afwaarderen, moet niet alleen sprake zijn van een zakelijke lening, maar ook van (gedeeltelijk) oninbare vordering. Als voldoende zekerheid is gesteld, is een vordering gewoon inbaar, aldus Rechtbank Gelderland.

Een bv verstrekt een lening aan een eenmanszaak. De ondernemer met de eenmanszaak is de zoon van man die 4% van de aandelen in de bv houdt. Daarnaast bezit vader de certificaten van de overige (96%) aandelen. De bv gaat een CV aan met de eenmanszaak, waarbij het geleende bedrag onderdeel is van het ingebrachte vermogen. De CV is echter geen lang leven beschoren. Na de ontbinding vindt een omzetting plaats van de kapitaaldeelname van de bv in een vordering. De bv en de ondernemer spreken geen looptijd of aflossingsschema af. Maar de vader van de ondernemer en dga van de bv stelt wel zekerheid voor deze vordering. Eventuele schenkingen en baten uit de nalatenschap die de zoon van zijn vader zal ontvangen, zullen eerst worden verrekend met de schuld aan de bv. Eind 2014 sluiten de partijen een vrijwillig crediteurenakkoord waarbij de bv 85% van de hoofdsom kwijtscheldt. De bv wil vervolgens de vordering fiscaal afwaarderen, maar de Belastingdienst gaat niet akkoord. Het geschil belandt voor Rechtbank Gelderland. Daar stelt de bv dat de fiscus niet aannemelijk heeft gemaakt dat de lening tussen de bv en de zoon onzakelijk is. Maar de rechtbank gaat eerst in op de vraag of de vordering wel oninbaar is. De rechter constateert dat de zekerheidstelling als gevolg heeft dat geen sprake is van een oninbare vordering. De vader heeft daadwerkelijk diverse bedragen geschonken aan zijn zoon. De gemaakte afspraken hebben daardoor reële waarde. Omdat de vordering inbaar is gebleven, is geen reden om deze vordering fiscaal af te waarderen.

Bron: Rb. Gelderland 25-06-2019

Intentie bij btw-belaste verhuur zolderverdieping belangrijk

Het is niet noodzakelijk dat een echtpaar direct na oplevering van hun nieuwe woning start met het belast verhuren van de zolderverdieping aan hun bv. Het kan ook op een later moment, mits de intentie tot belaste verhuur altijd heeft bestaan.

Op 23 december 2014 gaat een echtpaar met elkaar een stille maatschap aan voor het btw-belast verhuren van de zolderverdieping van hun nieuwe woning. De vrouw is dga en de bedoeling is de zolderverdieping btw belast te verhuren aan de bv. Gedurende 2015 en begin 2016 is de woning gebouwd. In 2016 is de woning opgeleverd en heeft het echtpaar de woning in gebruik genomen. Bij de bouw van de woning is omzetbelasting in rekening gebracht. In geschil bij Hof Arnhem-Leeuwarden is of de inspecteur een naheffingsaanslag mag opleggen voor de terugontvangen voorbelasting. De inspecteur is van mening dat de maatschap geen recht heeft gehad op aftrek van voorbelasting, omdat de zolderverdieping pas enige tijd na oplevering van de woning aan de bv is verhuurd. Tijdens de zitting bij het hof zijn het echtpaar en inspecteur al tot overeenstemming gekomen dat 34% van de bij de bouw van de nieuwe woning in rekening gebrachte omzetbelasting ziet op de belaste verhuur. Dit percentage is daarom niet meer in geschil. De woning is niet meteen na oplevering aangewend voor een economische activiteit en daarom kan niet alsnog aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting volgens de inspecteur. Het hof is het niet met dit standpunt eens. Als op basis van objectieve factoren duidelijk is dat er een voornemen is een economische activiteit uit te gaan oefenen, bestaat recht op teruggave. Het hof concludeert dat die intentie altijd is geweest. Hij wijst op de volgende objectieve feiten: de maatschapsovereenkomst, de intentieovereenkomst voor verhuur, de factuur aan de bv voor de vloerbedekking op zolder en de huurovereenkomst tussen de maatschap en de bv. De maatschap kan 34% van de in rekening gebrachte omzetbelasting bij de bouw van de woning terugvragen.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 18-06-2019

Geen aftrek voor terugbetaalde PGB

Terugbetaalde persoonsgebonden budget is aftrekbaar als het een uitgave is voor de door de belastingplichtige als zorgverlener verrichte werkzaamheden.

De moeder van een autistische en verstandelijk beperkte zoon heeft de verpleging en verzorging van haar zoon op zich genomen. De zoon heeft in 2013 persoonsgebonden budget (PGB) ontvangen van € 48.315. De vrouw heeft € 38.570 uit het PGB ontvangen. Zij heeft dit bedrag, verminderd met kosten, als resultaat uit overige werkzaamheden aangegeven. In 2014 heeft de vrouw een bedrag aan het Zorgkantoor betaald dat de zoon ten onrechte als PGB heeft ontvangen. De vrouw heeft die terugbetaling ook als kosten in haar aangifte 2013 opgenomen. In geschil bij Hof Den Bosch is de aftrekbaarheid van het terugbetaalde bedrag aan PGB. Hof Den Bosch is van mening dat de terugbetaling PGB door de vrouw niet is aan te merken als een terugbetalingsverplichting van haar zelf. Daarom komt de terugbetaling niet op het inkomen van de moeder in mindering. Het hof laat dan nog de vraag onbeantwoord of de terugbetaling in 2014 wel aan 2013 kan worden toegerekend. De vrouw heeft bovendien niet inzichtelijk gemaakt welke posten tot welke bedragen door het Zorgkantoor niet zijn goedgekeurd en waarom deze niet zijn goedgekeurd. De vrouw toont daarmee volgens het hof ook niet aan dat zij met de terugbetaling van door haar zoon onterecht ontvangen PGB een uitgave heeft gedaan voor de door haar verrichte werkzaamheden als zorgverlener.

Bron: Hof Den Bosch 12-04-2019 (gepubl. 20-06-2019)

Zonder mantelzorgcompliment geen recht op partnervrijstelling

Een man die tot diens overlijden in 2015 voor zijn zieke vader zorgde, had geen recht op de partnervrijstelling voor de erfbelasting omdat hij over 2014 geen mantelzorgcompliment (inmiddels afgeschaft) ontving.

Onder de huidige wetgeving kan een bloedverwant in de rechte lijn geen partner zijn in de zin van de partnervrijstelling voor de erfbelasting. In 2015 was dit echter nog wel mogelijk, mits de bloedverwant beschikte over een mantelzorgcompliment voor zorg die in 2014 aan de overledene was verleend. Maar een man die tot het overlijden van zijn vader voor hem had gezorgd en over 2014 geen mantelzorgcompliment had ontvangen, terwijl hij dit compliment voor de jaren 2011 tot en met 2013 wel had ontvangen, had volgens Hof Arnhem-Leeuwarden geen recht op de partnervrijstelling. Hierbij beriep het hof zich mede op de afschaffing van het mantelzorgcompliment en het ontbreken van enig overgangsrecht. Ook vond het hof dat de redelijkheid geen reden kon zijn om in deze zaak de partnervrijstelling toe te passen, omdat de rechter zich aan de wet moet houden en hierbij niet de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet moet beoordelen. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van de zoon tegen de beslissing van het hof vervolgens niet-ontvankelijk.

Bron: Hoge Raad, 21-6-2019

Kabinet onderzoekt varianten van box 3-heffing

Het kabinet doet onderzoek naar mogelijke varianten van een vermogensrendementsheffing (in box 3) die belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld tegemoet komen. Dit heeft staatssecretaris Snel van Financiën aangegeven in antwoord op Tweede Kamervragen over de box 3-heffing.

Bij de vermogensrendementsheffing wordt een fictief rendement op vermogen belast. Maar nu de spaarrente al vele jaren extreem laag is, staat de heffing niet in verhouding tot het werkelijke rendement dat wordt behaald door belastingplichtigen wiens vermogen voornamelijk uit spaargeld bestaat. Daarom doet het kabinet nu onderzoek naar varianten van de box 3-heffing om deze mensen tegemoet te komen. Voor elke variant zal in kaart worden gebracht in welke mate de belastingheffing aansluit bij de werkelijke spaarrente, hoe robuust de variant is tegen belastingontwijking, wat de gevolgen zijn voor de administratieve lasten voor burgers, wat de gevolgen zijn voor de uitvoering en wat de budgettaire gevolgen zijn.

Bron: MvF, 20-6-2019

Vanaf 2021 verdienen zzp’ers minimaal € 16 per uur

Het kabinet wil met een minimumtarief van € 16 per uur voor zzp’ers tegengaan dat mensen werken voor een bedrag waar ze niet van kunnen rondkomen. De uitwerking van de maatregel voor de onderkant van de zzp-markt is anders dan in het regeerakkoord was afgesproken: iedereen met een laag tarief zou een dienstverband krijgen. Dit past echter niet binnen de Europese wetgeving.

Een deel van de zzp-huishoudens (8,6%) had in 2017 een inkomen onder het bestaansminimum. Het kabinet wil voorkomen dat een groep werkende armen ontstaat. Door de lage tarieven is het voor zzp’ers onmogelijk om te sparen voor werkloosheid en om zich te verzekeren voor ziekte en arbeidsongeschiktheid. Er komt daarom een minimumtarief van € 16 per uur. Dit tarief gaat voor alle zzp’ers gelden, zowel voor de mensen met zakelijke als particuliere klanten. Er komen geen andere criteria zoals de duur van een opdracht. Het minimumtarief gaat gelden voor alle uren die een zzp’er aan een opdracht besteedt. Er is rekening mee gehouden dat zzp’ers gemiddeld een derde van hun tijd moeten besteden aan overige werkzaamheden, zoals administratie. Het tarief is exclusief directe kosten die een zzp’er voor een klus maakt. Kosten voor materiaal komen dan ook bovenop de € 16.
De uitwerking van de maatregel voor de onderkant van de zzp-markt is anders dan in het regeerakkoord was afgesproken. Iedereen met een laag tarief zou een dienstverband krijgen. Maar deze afspraak blijkt niet goed te passen in de Europese wetgeving. Met een minimumtarief verwachten minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, staatssecretaris Snel van Financiën en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat voldoende bescherming te bereiken voor de zzp’ers met een zwakke positie op de arbeidsmarkt.

Volgens het kabinet kunnen zzp’ers met een tarief boven de € 75 sparen voor werkloosheid en pensioen en kunnen ze zich verzekeren. Om deze zzp’ers meer ruimte te geven om te ondernemen, kunnen zij straks kiezen voor een zelfstandigenverklaring. Hiermee kunnen deze zzp’ers vooraf met hun opdrachtgever afspreken dat ze als ondernemer zelfstandige werken. Om de zelfstandigenverklaring te kunnen gebruiken, mag een opdracht niet langer dan een jaar duren. Ook is een inschrijving in de Kamer van Koophandel nodig. Als zzp’ers aan deze voorwaarden voldoen, lopen ze geen risico op naheffingen zoals de loonheffing. Ook krijgen ze zoveel mogelijk zekerheid over arbeidsrechtelijke gevolgen, pensioen en cao-bepalingen.
Bovenstaande maatregelen zijn beide onderdeel van de nieuwe wet- en regelgeving die zzp’ers meer duidelijkheid moet geven. Het kabinet wil echte ondernemers meer ruimte geven en tegelijkertijd schijnzelfstandigheid tegengaan. Deze wetgeving is complex, maar vordert gestaag. Het streven is de wetgeving per 2021 in werking te laten treden. Om alle zzp’ers en hun opdrachtgevers meer duidelijkheid te geven over de vraag of een opdracht als zzp’er uitgevoerd mag worden, onderzoekt het kabinet in hoeverre een webmodule die zekerheid kan geven. Momenteel wordt deze webmodule getest met behulp van toekomstige gebruikers, na de zomer zal het kabinet de Tweede Kamer informeren over de resultaten.
In afwachting van de nieuwe wetgeving is een handhavingsmoratorium ingesteld voor het inhuren van zelfstandigen, dat geldt tot 1 januari 2021. De mogelijkheden tot handhaven worden aangescherpt: vanaf 1 januari 2020 kan de Belastingdienst ook handhaven wanneer opdrachtgevers hun werkwijze binnen een redelijke termijn niet aanpassen na aanwijzingen van de Belastingdienst. Ook komen er extra mensen beschikbaar om meer toezicht te houden. Ook de Inspectie SZW heeft meer capaciteit gekregen om toezicht te houden op de arbeidswetgeving, via verschillende programma’s. Daarnaast werken de Belastingdienst en Inspectie SZW intensiever samen zodat signalen van schijnzelfstandigheid sneller worden opgepakt.

Bron: Min. SZW, 24-6-2019

Leg gesprek over (niet) noodzaak bezwaar vast

Doet een medewerker van de Belastingdienst een uitspraak waaruit de ondernemer kan opmaken dat hij geen bezwaarschrift hoeft in te dienen tegen een afdracht omzetbelasting? Dan doet de ondernemer er goed aan deze uitspraak vast te leggen. Als blijkt dat hij toch eerder een bezwaarschrift had moeten indienen, kan hij aannemelijk maken dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Per 1 januari 2013 leek de btw-vrijstelling voor acupunctuurdiensten te zijn vervallen, zodat een acupuncturist btw afdraagt over het vierde kwartaal 2013 en het eerste kwartaal 2014. Maar de Nederlandse Vereniging voor Acupunctuur (NVA) maakt in 2014 afspraken met de fiscus die worden opgenomen in een vaststellingsovereenkomst (VSO). In 2015 blijkt uit een arrest van de Hoge Raad dat de dienstverlening van de acupuncturist wel onder de btw-vrijstelling valt. De man heeft echter geen bezwaarschriften ingediend tegen de betalingen op zijn aangiften over het vierde kwartaal 2013 en het eerste kwartaal 2014. Daarom vertelt de inspecteur hem op 20 maart 2017 dat deze afdrachten omzetbelasting onherroepelijk vaststaan. Ongeveer een maand later vraagt de acupuncturist om een ambtshalve teruggaaf van de omzetbelasting over deze kwartalen. Wanneer de inspecteur dit verzoek afwijst, gaat de acupuncturist in beroep. Volgens Rechtbank Den Haag heeft de man zijn bezwaartermijn overschreden, maar gaat het hier om een verschoonbare termijnoverschrijding.
Hof Den Haag is in de hoger beroepsfase niet zo mild. De man stelt dat hij ervan uitging dat hij vanwege de VSO tussen de fiscus en de NVA niet zelf een bezwaarschrift hoefde in te dienen. Hij beweert dat een medewerker van de Belastingdienst die zijn aangiften behandelde, dit uitdrukkelijk heeft gesteld. De inspecteur trekt dit verhaal van de acupuncturist in twijfel. De man weet het hof niet van zijn gelijk te overtuigen. Hij heeft nagelaten de naam van de ambtenaar en de datum van het gesprek te vermelden. Hij heeft evenmin vastgelegd wat is besproken met deze onbekende medewerker. Het hof oordeelt dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. De rechtbank had volgens het hof het beroep van de man niet-ontvankelijk moeten verklaren en dat is wat het hof alsnog doet.

Bron: Hof Den Haag 28-05-2019