Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Navorderingsaanslagen IB door vrijval balansschulden btw

De Hoge Raad oordeelt dat na het verstrijken van de naheffingstermijn voor omzetbelastingschulden, deze schulden verplicht vrijvallen in de winst van dat jaar. Is de laatste dag waarop de inspecteur een naheffingsaanslag kan opleggen 31 december van een jaar? Dan valt de winst vrij in de winst van het daaropvolgende jaar.

Een autohandelaar heeft op zijn balans per 31 december 2010 een omzetbelasting schuld van ruim € 104.483 opgenomen. Dit bedrag betrof tot totaal van de omzetbelastingschulden van een aantal jaren. De autohandelaar heeft geen suppletieaangiften ingediend. Na een boekenonderzoek heeft de inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd voor de vrijgevallen omzetbelastingschulden. Bij Hof Arnhem-Leeuwarden was het de vraag of de vrijval van de omzetbelastingschulden en de toerekening aan de jaren correct was en of sprake was van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigde. Het hof heeft in navolging van de rechtbank geoordeeld dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan. Hij hoefde na een normale, zorgvuldige kennisname van de aangiften inkomstenbelasting over de verschillende jaren niet te twijfelen aan de juistheid van die aangiften. De bevindingen van het boekenonderzoek dat de Belastingdienst de omzetbelastingschulden die op de balans stonden niet meer kon naheffen, leverden nieuwe feiten op die navordering rechtvaardigden. In een werkinstructie van de Belastingdienst is aan inspecteurs omzetbelasting projectmatig aandacht gevraagd voor de samenhang tussen omzetbelastingschulden op de balans en aangiften omzetbelasting. De inspecteur inkomstenbelasting hoefde deze werkinstructie voor zijn collega’s omzetbelasting niet te kennen. Voorts heeft het hof geoordeeld dat omzetbelastingschulden vrijvallen in het jaar waarin de Belastingdienst niet langer kan naheffen. Eindigt het naheffingstijdvak op 31 december van een jaar, dan valt volgens het hof de omzetbelastingschuld vrij in de winst van het daaropvolgende jaar. Vervolgens begint de navorderingstermijn van vijf jaar te lopen voor de vrijgevallen omzetbelastingschuld in de winst. De Hoge Raad bevestigt de oordelen van het hof zonder nadere motivering.

Bron: HR 15-3-2019

Emigratie zeer relevant bij verstrekken lening aan bv

Als een ab-houder een lening verstrekt aan zijn bv en vervolgens emigreert, is een eventueel afwaarderingsverlies uitsluitend aftrekbaar van de Nederlandse belasting voor zover de waardedaling gedurende de Nederlandse binnenlandse belastingplicht is ontstaan, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld.

In deze zaak had een man een aanmerkelijk belang in een bv, die op haar beurt weer een meerderheidsbelang had in een andere bv. Beide bv’s waren in Nederland gevestigd. In 2006 emigreerde de man naar België, waardoor hij op grond van de Nederlandse wet werd geacht zijn aanmerkelijk belang fictief te hebben vervreemd, waarna de Belastingdienst hem een conserverende aanslag oplegde.
In 2009 verstrekte de man twee leningen van in totaal € 140.000 aan de dochter-bv van zijn bv, waarna hij in 2011 een waardedaling van zijn vordering op de bv wilde aftrekken als negatief resultaat uit overige werkzaamheden. De Belastingdienst stelde zich echter op het standpunt dat België heffingsbevoegd was ten aanzien van dit verlies en de Hoge Raad was het hiermee eens. Op grond van het belastingverdrag tussen Nederland en België worden vervreemdingsvoordelen uit een aanmerkelijk belang alleen in Nederland belast voor zover de waardeaangroei vóór de emigratie is ontstaan. Doordat deze bepaling ook geldt ten aanzien van schuldvorderingen van een ab-houder op zijn bv, was de afwaardering uitsluitend aftrekbaar voor zover de waardedaling vóór de emigratie was ontstaan. Omdat de leningen pas na de emigratie waren verstrekt, was de afwaardering niet aftrekbaar van de Nederlandse belasting.

Bron: HR, 15-3-2019

Aangaan VOF voor willekeurige afschrijving niet pleitbaar

Is vooraf duidelijk dat de economische activiteiten van een VOF in de tijd beperkt zullen zijn tot de duur van de willekeurige afschrijving en de VOF binnen die periode nooit een positief resultaat zal behalen? Dan bestaat geen objectieve voordeelsverwachting en bovendien is dan geen sprake van een pleitbaar standpunt.

Een dga heeft aandelen in diverse bv’s. Een van de bv’s heeft tot doel het ontwerpen en produceren van machines of machineonderdelen. Deze bv (Machinefabriek) wilde aanvankelijk zelf investeren in een omvangrijk machinepark. Na advies van de belastingadviseur is de dga met vier anderen een op 1 december 2009 een vof aangegaan en deed de VOF deze investeringen. Door het aangaan van de VOF is de dga in staat zelf willekeurig af te schrijven op de investeringen van bijna € 2 miljoen. Per 30 september 2011 brachten de vennoten hun firma-aandelen ruisend in in een bv. Door de willekeurige afschrijvingen behaalden de vennoten daarbij stakingswinsten, die zij omzetten in een lijfrente. In geschil bij Rechtbank Gelderland is de toepassing van de willekeurige afschrijving, ook is het de vraag of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd. De rechtbank oordeelt dat er geen objectieve voordeelsverwachting heeft bestaan bij de dga bij het aangaan van de VOF. Vanwege het advies van de belastingadviseur is altijd al het idee geweest om de VOF aan te gaan om de vervroegde afschrijvingen op de investeringen te kunnen benutten in privé en de VOF na drie jaar te ontbinden.
De rechtbank oordeelt dat de dga geen pleitbaar standpunt heeft gehad voor het aangaan van de VOF, want de rechtbank vindt het niet aannemelijk dat de dga werkelijk de bedoeling heeft gehad om duurzaam een onderneming te gaan exploiteren. Daarvoor wijst de rechtbank op het feit dat de investeringen eigenlijk bestemd zijn voor Machinefabriek, het advies van de belastingadviseur, het bedrijfsplan, de offertes voor de bedrijfsmiddelen voor Machinefabriek en de onderhandelingen met de bank, waarbij de bestaande relatie met Machinefabriek de doorslag heeft gegeven. De vergrijpboete is terecht opgelegd volgens de rechtbank.

Bron: Rb. Gelderland 14-03-2019

Conceptbesluit overgangsrecht bij no deal Brexit

Bij een no deal wordt het Verenigd Koninkrijk vanaf 30 maart 2019 een derde land. Deze wijziging kan in de loop van het belastingjaar dan wel het boekjaar fiscale gevolgen hebben voor burgers en bedrijven. Eerder kondigde staatssecretaris Snel al aan met een besluit te komen met fiscaal overgangsrecht. Publicatie van het besluit is voorzien op 28 maart 2019.

Staatssecretaris Snel heeft het conceptbeleidsbesluit met fiscaal overgangsrecht bij een no deal Brexit naar de Tweede Kamer gestuurd. Als gevolg van de in dit besluit opgenomen algemene goedkeuring wordt het Verenigd Koninkrijk voor een aantal belastingwetten voor het lopende belastingjaar dan wel boekjaar nog beschouwd als deel uitmakend van de Europese Unie. Hierdoor blijft het huidige fiscale regime voor deze belastingwetten van toepassing als ware het Verenigd Koninkrijk nog steeds lid van de Europese Unie.
Het conceptbeleidsbesluit bevat zowel algemene als specifieke goedkeuringen.
De algemene goedkeuring geldt voor:

de Wet inkomstenbelasting 2001;
de Wet op de loonbelasting 1964;
de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen;
de Wet op de vennootschapsbelasting 1969;
de Algemene wet inzake rijksbelastingen; en
de op deze wetten betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsbesluiten.

De specifieke goedkeuringen hebben geen betrekking op de complete belastingwet maar op een specifiek onderdeel. Deze gelden voor:

het anoniementarief en de identificatieplicht in de Wet op de loonbelasting 1964;
de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992;
de Wet op de omzetbelasting 1968;
de Invorderingswet 1990; en
de op deze wetten betrekking hebbende algemene maatregelen van bestuur, ministeriële regelingen en beleidsbesluiten.

Voor de omzetbelasting, meer specifiek voor goederen die rond het tijdstip van de terugtrekking van het VK uit de EU onderweg zijn van of naar het VK, kan nog geen nationaal overgangsrecht worden vastgesteld. Dit overgangsrecht moet worden gebaseerd op guidelines van de Europese Commissie en die zijn nog niet vastgesteld. Dit wordt medio maart verwacht. Daarna zal het beleidsbesluit worden aangevuld.

Nieuwe gevallen
De overgangsregeling is primair bedoeld voor burgers en bedrijven waarvoor als gevolg van de no deal Brexit de (fiscale) situatie direct wijzigt (de bestaande gevallen). Voor nieuwe gevallen, bijvoorbeeld mensen die na 29 maart 2019 maar nog in 2019 naar het Verenigd Koninkrijk verhuizen, zou het standpunt kunnen worden ingenomen dat een overgangsregeling niet nodig is. Voor de Belastingdienst is het in de uitvoering echter moeilijk om gedurende de periode waarin de overgangsregeling van toepassing is, een onderscheid te maken tussen bestaande en nieuwe gevallen. Om die reden geldt de overgangsregeling gedurende het lopende belastingjaar 2019 of het lopende boekjaar ook voor nieuwe gevallen.

Bron: MvF 08-03-2019, Besluit overgangsregeling ivm Brexit

Wetsvoorstel rekening-courantmaatregel dga ter consultatie

In september 2018 werd in de aanbiedingsbrief bij het pakket BP 2019 de rekening-courantmaatregel aangekondigd. Het wetsvoorstel (Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap) dat de rekening-courantmaatregel moet introduceren is nu aangeboden ter consultatie. Ab-houders moeten volgens de op Prinsjesdag aangekondigde maatregel box 2-belasting betalen voor zover ze meer dan € 500.000 lenen van hun vennootschap.

De voornaamste reden voor het invoeren van deze maatregel is het tegengaan van belastinguitstel en -afstel door ab-houders. Door overtollige gelden als lening aan de eigen vennootschap te onttrekken in plaats van als dividend of loon te genieten, wordt belastingheffing op dat moment voorkomen. Het kabinet sluit met dit wetsvoorstel de belastingheffing aan op het beschikkingsmoment van deze gelden.
Ab-houders moeten vanaf de datum van inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen box 2-belasting betalen over leningen van hun vennootschap voor zover die leningen hoger zijn dan € 500.000. Wanneer een lening een eigenwoningschuld vormt, wordt deze onder bepaalde voorwaarden volledig uitgezonderd. Om te kwalificeren voor de uitzondering van de maatregel moet de schuld in ieder geval voldoen aan de voorwaarden van de eigenwoningregeling in de Wet IB 2001. Daarnaast wordt voor nieuwe eigenwoningschulden ook de voorwaarde gesteld dat de ab-houder een recht van hypotheek verstrekt aan zijn vennootschap.
De voorgestelde maatregel heeft alleen gevolgen voor de bepaling van het inkomen uit aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting. In afwijking van de systematiek van de Wet IB 2001, wordt voorgesteld de ab-houder niet individueel maar met zijn partner gezamenlijk in de heffing te betrekken voor hun schulden boven de € 500.000 aan de vennootschap waarin een aanmerkelijk belang wordt gehouden. Alle typen leningen vallen onder de regeling ter bepaling van het totaalbedrag aan schulden.
De consultatie staat open tot 1 april 2019. Naar verwachting wordt het wetsvoorstel in de zomer ingediend bij de Tweede Kamer, zodat de maatregelen per 1 januari 2022 in werking kunnen treden.

Bron: Internetconsultatie Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap, 04-03-2019

Reisdag is een buitenlandse werkdag

Heeft een werknemer ook in het buitenland gewerkt en moet de Belastingdienst hierdoor een vermindering toepassen op de over het loon verschuldigde belasting, dan telt een reisdag als een in het buitenland gewerkte dag.

In deze zaak was een Nederlander in loondienst werkzaam voor een Nederlandse bv. De man werkte in de jaren 2011 tot en met 2014 onder meer op de territoriale wateren van Frans-Guyana. Omdat Frankrijk belasting mocht heffen over het loon voor de arbeid in Frans-Guyana, moest Nederland deze werknemer een voorkoming van dubbele belasting verlenen. In dergelijke gevallen is de hoogte van de betreffende voorkoming afhankelijk van het aantal dagen dat de man in het buitenland heeft gewerkt. De inspecteur telde de reisdagen voor de helft mee, maar de rechtbank constateerde dat de bv de reisdagen – waarop de man in Frans-Guyana aankwam of vanuit Frans-Guyana vertrok – gewoon doorbetaalde. Daarom oordeelde de rechtbank dat de man ook op de reisdagen werkzaam was in Frans-Guyana en dat de reisdagen volledig moesten meetellen bij de berekening van de voorkoming van dubbele belasting.

Bron: Rb. Noord-Nederland, 19-2-2019

Herbeoordeling geldlening bij echtscheiding

Als hypothecaire schulden oorspronkelijk verband hielden met de aankoop van een echtelijke woning, leidt een echtscheiding tot een nieuw herbeoordelingsmoment. Het is dan mogelijk dat deze schulden door verdeling van de huwelijksgemeenschap aan aanmerkelijkbelangaandelen kunnen worden toegerekend.

In deze zaak was een dga gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgemeenschap behoorden onder andere de echtelijke woning en aandelen in twee bv’s waarvan de dga enig aandeelhouder en bestuurder was. In 2011 scheidden de dga en zijn vrouw. In het echtscheidingsconvenant stond dat de activa en een klein gedeelte van de hypotheekschuld aan de vrouw werden toebedeeld. De dga hield de aandelen in de twee bv’s. Ook nam de dga een groot deel van de hypothecaire leningen voor zijn rekening, zodat zijn ex-vrouw in de echtelijke woning kon blijven wonen. De leningen waren oorspronkelijk aangegaan voor de verwerving van de woning.
De dga wilde de betaalde rente op de overgenomen leningen in aanmerking nemen als kosten ter verwerving van ab-aandelen. De rechtbank moest bepalen welk deel van de overgenomen schulden kon worden toegerekend aan de toegedeelde ab-aandelen. De rechtbank stelde dat er aanvankelijk geen causaal verband was tussen de hypothecaire leningen en de ab-aandelen, maar dit causale verband kon alsnog zijn ontstaan door de verdeling van de huwelijksgemeenschap als gevolg van de echtscheiding. Als de dga alleen het aanmerkelijk belang zou hebben verkregen, zou hij zijn overbedeeld en zou hij een schuld aan zijn ex-echtgenote hebben gehad. En als hij vervolgens bij een bank geld zou hebben geleend om de schuld aan zijn ex-vrouw te voldoen, zou die schuld kwalificeren als schuld voor behoud van het aanmerkelijk belang. Daarom kon de betaalde rente in principe worden toegerekend aan de ab-aandelen. Wel oordeelde de rechter dat, als gevolg van de totale verdeling, de betaalde rente niet volledig toerekenbaar was aan het aandelenpakket.

Bron: Rb. Gelderland, 11-02-2019

Groene obligaties geen groene belegging

De overheid heeft groene overheidsobligaties aangekondigd, maar die vallen niet onder de vrijstelling voor groene beleggingen in box 3.

In antwoord op Kamervragen heeft minister Hoekstra aangegeven vrijstelling alleen van toepassing is voor zover het gaat om aandelen in, winstbewijzen van of schuldvorderingen op aangewezen groene fondsen. Alleen banken en beleggingsinstellingen als bedoeld in art. 1:1 van de Wet op het financieel toezicht (Wft) kunnen als groene fondsen worden aangewezen. Voorwaarde is dat deze groene fondsen hoofdzakelijk (ten minste 70%) investeren in aangewezen groene projecten zoals beschreven in de regeling groenprojecten.
De groene overheidsobligatie is niet als groen project aangemerkt, zodat investeringen van groene fondsen in de groene obligatie niet bijdragen aan het bereiken van de drempelwaarde van 70%.

Bron: MvF 17-01-2019

Schenking binnen 180 dagen voor overlijden pakt nadelig uit

Als iemand een schenking doet en vervolgens binnen 180 dagen na deze schenking overlijdt, is de in totaal verschuldigde schenk- en erfbelasting hoger dan wanneer er geen schenking zou hebben plaatsgevonden. Dit blijkt uit een uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden.

In deze zaak ontving een man in 2015 twee schenkingen van zijn moeder: op 31 maart € 5.000 en op 23 december € 80.000. Hierover moest hij in totaal € 7.972 aan schenkbelasting betalen (10% van (€ 85.000 -/- € 5.277). De moeder overleed op 20 april 2016, waarna de erfrechtelijke verkrijging € 25.358 bedroeg. Bovendien was de schenking van 23 december 2015 nu een fictief erfrechtelijke verkrijging, doordat de moeder binnen 180 dagen na deze schenking overleed. Hierdoor bedroeg de totale erfrechtelijke verkrijging (na aftrek van de vrijstelling erfbelasting) € 85.210 (€ 105.358 -/- € 20.148), waarover de man € 8.521 erfbelasting was verschuldigd (10%).
Doordat de man eerder al schenkbelasting had betaald, paste de inspecteur later een ambtshalve vermindering toe van € 6.470 (€ 80.000 / € 105.358 × € 8.521). De man vond echter dat de totale betaalde schenkbelasting van € 7.972 moest worden verrekend. Het hof bepaalde dat de inspecteur bij de berekening van de ambtshalve vermindering terecht de schenking van 31 maart van € 5.000 buiten beschouwing had gelaten. Wel had de inspecteur de schenking van € 80.000 niet moeten delen door het bedrag van de totale erfrechtelijke verkrijging, maar door het totaalbedrag van de twee schenkingen. De juiste berekening van de vermindering was dus: (€ 80.000 / € 85.000) × € 7.972) = € 7.503.
Dit alles leidde ertoe dat de man in totaal € 8.990 had betaald aan schenk- en erfbelasting. Zonder schenking zou de erfbelasting € 8.521 zijn geweest. De schenking pakte dus uiteindelijk nadelig uit.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 8-1-2019

Brexit en btw: vraag tijdig btw-verlegging aan

Hoewel de precieze uitkomst nog niet bekend is nu het Brexitplan door het Britse Lagerhuis is afgewezen – een alternatiefplan of een harde Brexit per 29 maart 2019, toch nog uitstel? – is een goede voorbereiding voor ondernemers die regelmatig goederen importeren van het Verenigd Koninkrijk belangrijk. De Belastingdienst heeft ondernemers in een brief gewezen op de mogelijkheid een artikel 23-vergunning aan te vragen.

Indien ondernemers goederen invoeren uit een niet-EU-land moet telkens bij invoer bij de Douane, bij de aangifte ten invoer, btw worden betaald. In hun btw-aangifte kunnen ondernemers dan die betaalde btw als voorbelasting in aftrek brengen. Ondernemers die regelmatig goederen importeren uit een niet EU-land hebben echter de mogelijkheid een zogenoemde artikel 23-vergunning aan te vragen. Een ondernemer met een artikel 23-vergunning kan de btw over de geïmporteerde goederen aangeven bij zijn eigen btw-aangifte en tegelijkertijd deze btw ook als voorbelasting in de aangifte aftrekken.
De fiscus raadt aan om tijdig een artikel 23-vergunning aan te vragen. Bij aanvragen voor 1 februari 2019 zal de Belastingdienst voor 29 maart 2019 reageren. Om voor een artikel 23-vergunning in aanmerking te komen, gelden wel enkele voorwaarden: zo moet de ondernemer in Nederland wonen of daar zijn gevestigd, regelmatig goederen importeren uit niet-EU-landen en een aparte administratie bijhouden, waaruit eenvoudig blijkt hoeveel btw bij import moet worden betaald. Daarnaast is jaaraangifte voor de btw niet meer mogelijk en zal de ondernemer dus kwartaalaangiften moeten doen.
Let op: de brief van de Belastingdienst is verstuurd naar ondernemingen die volgens de fiscus voor een artikel 23-vergunning in aanmerking komen. Mogelijk zijn er dus meer ondernemers die een vergunning kunnen aanvragen.

De overheid komt nog met een uitgebreide voorlichtingscampagne over de aanstaande Brexit. De campagne zal gericht zijn op ondernemers in het mkb. Om te kijken wat de impact van de Brexit is kunnen ondernemers nu al online een Brexitscan (via www.brexitloket.nl) doen.

Bron: www.brexitloket.nl; div. media