Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Duidelijkheid over rechtsherstel box 3

Financiën heeft het besluit gepubliceerd waarin wordt aangegeven hoe het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 moet worden berekend naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021. De berekening geldt voor nog niet onherroepelijk vaststaande en nog niet vastgestelde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de kalenderjaren 2017 tot en met 2022.

Bij het rechtsherstel wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen (zoals aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting), waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen banktegoeden, overige bezittingen en schulden. Per vermogenscategorie geldt een afzonderlijk forfaitair rendementspercentage. Bij de vormgeving van het rechtsherstel zijn diverse aspecten betrokken, waaronder budgettaire, uitvoeringstechnische en maatschappelijke aspecten. Het is erop gericht om op een geautomatiseerde wijze uitvoering te geven aan het arrest van de Hoge Raad. Met de in dit besluit beschreven nieuwe berekening van het voordeel uit sparen en beleggen wordt naar de mening van het kabinet naar redelijkheid op een zo rechtvaardig, aanvaardbaar en uitvoerbaar mogelijke manier rechtsherstel geboden.

In onderdeel 2 worden de drie doelgroepen van het rechtsherstel benoemd.
In onderdeel 3 staat hoe het rechtsherstel in vier stappen wordt berekend en wanneer een aanslag inkomstenbelasting wordt verminderd of wordt vastgesteld op basis van het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen.
In onderdeel 4 wordt per doelgroep aangegeven welke mogelijkheden de belastingplichtige heeft als hij het niet eens is met het geboden rechtsherstel (de rechtsbescherming).

Voor alle doelgroepen geldt dat het rechtsherstel enkel wordt geboden als het berekende nieuwe voordeel uit sparen en beleggen lager is dan het op grond van de wet berekende voordeel uit sparen en beleggen. Als dit niet het geval is, wordt geen rechtsherstel geboden.

Ambtshalve vermindering Ten aanzien van een verzoek om ambtshalve vermindering wordt het volgende gemeld. Een verzoek om ambtshalve vermindering moet zijn ingediend binnen vijf jaar na afloop van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft. Tenzij de staatssecretaris anders beslist, kan jurisprudentie die is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk is komen vast te staan, geen aanleiding zijn om die aanslag ambtshalve te verminderen. Om die reden zal de inspecteur een verzoek (om rechtsherstel) afwijzen van een belastingplichtige die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting, waarin sprake is van een voordeel uit sparen en beleggen. Tegen deze afwijzing staat bezwaar en beroep open.
Het besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2022.

Bron: MvF 28-06-2022

Dga koopt pand te goedkoop van bv: zes maanden cel

Koopt een dga een pand van zijn bv tegen een veel te laag bedrag? En zijn de aangiftes overdrachtsbelasting, vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting gebaseerd op dat bedrag? Dan heeft de dga onjuiste aangiftes ingediend. Hij riskeert in dat geval een gevangenisstraf wegens belastingfraude.

Twee broers houden ieder 50% van de aandelen in een bv met onder meer vastgoed. Op 3 maart 2011 verkoopt de bv aan deze broers twee panden voor een totaalbedrag van € 8.450.000. De Belastingdienst onderzoekt deze transactie en vermoedt dat de verkoopprijs op een te laag bedrag is gesteld. De fiscus schat de werkelijk waarde op zo’n € 11,5 miljoen. Door te werken met een lagere waarde is te weinig overdrachtsbelasting betaald. Ook heeft de bv te weinig winst opgegeven. De broers hebben bovendien nagelaten verkapt dividend op te geven. De fiscus ontvangt daardoor te weinig vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting. Het Openbaar Ministerie (OM) stelt dat minstens één broer dit bewust heeft gedaan. Die broer heeft namelijk de hulp van taxateurs ingeschakeld zonder hen volledig in te lichten. Hij heeft hen bijvoorbeeld niets verteld over de onderhandelingen rond de verhuur van de panden aan een winkelketen.
Het OM betoogt dat de bv heeft mogen verwachten dat zij de panden gedurende tien jaar zou kunnen verhuren voor € 875.000 per jaar. Ook e-mails met de bank tonen aan dat de verdachte na een renovatie van de panden rekening houdt met een meerwaarde van € 9 miljoen. De werkelijke waarde van de panden moet dus zo’n € 17 miljoen bedragen. Overigens houdt het OM het uit voorzichtigheid op een waarde van € 11,5 miljoen. Volgens Rechtbank Amsterdam heeft het OM de schuld van de verdachte voldoende bewezen. Maar de straf pakt lager uit dan de twaalf maanden gevangenisstraf die het OM vordert. De rechtbank veroordeelt de man namelijk tot zes maanden gevangenisstraf en een taakstraf van 240 uur. Daarbij is van belang dat de fraude meer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden. Sindsdien heeft de man geen fraude gepleegd. Daarnaast is de redelijke termijn overschreden.

Bron: Rb. Amsterdam 09-06-2022

Coronapandemie verlengt redelijke termijn niet automatisch

Het hof moet na het indienen van een hoger beroepschrift in beginsel binnen twee jaar uitspraak doen. Onder omstandigheden kan het hof de redelijke termijn van twee jaar verlengen. De Hoge Raad oordeelt dat corona niet automatisch tot verlenging van de redelijke termijn leidt en kent belanghebbende alsnog een immateriële schadevergoeding toe.

Een bv verzoekt bij Hof Arnhem-Leeuwarden om een immateriële schadevergoeding. De bv heeft op 18 juni 2019 het hoger beroepschrift ingediend. Op 22 juni 2021 heeft het hof uitspraak gedaan. Dat is meer dan twee jaar. Toch kent het hof geen immateriële schadevergoeding toe. Volgens het hof is de coronapandemie een uitzonderlijke situatie die een verlenging van de redelijke termijn met vier maanden voor de berechting in hoger beroep rechtvaardigt. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en verwijst daarvoor naar zijn arrest van 27 mei 2022. Corona is niet in zijn algemeenheid reden voor verlenging van de redelijke termijn. Het coronavirus is alleen een bijzondere omstandigheid als partijen waren uitgenodigd voor de zitting in de periode waarin de gerechtsgebouwen vanwege corona waren gesloten (17 maart tot en met 10 mei 2020) en het onderzoek ter zitting daarom opnieuw moest worden gepland. In dit geval is daarvan echter geen sprake. Het hof heeft de redelijke termijn van berechting in hoger beroep daarom ten onrechte verlengd. De Hoge Raad kent de bv alsnog een vergoeding van € 500 voor immateriële schade toe.

Bron: Hoge Raad 24-06-2022

Beroepstermijn gaat later in bij vaagheid rond postbezorger

Als de inspecteur niet kan aantonen aan welk postvervoer hij een uitspraak op bezwaar heeft aangeboden, gaat de beroepstermijn later in dan normaal. Deze termijn begint dan namelijk pas te lopen als de belanghebbende de uitspraak heeft gezien.

De Belastingdienst doet op 19 oktober 2018 uitspraak op bezwaar tegen een naheffingsaanslag btw en boetebeschikking die zijn opgelegd aan een btw-ondernemer. Deze ondernemer stelt op 12 juli 2019 beroep in. Hij beweert de uitspraak op bezwaar niet te hebben ontvangen. De Hoge Raad bepaalt dat in deze stelling een betwisting van de verzending van dat besluit zit begrepen. In dat geval moet de fiscus die verzending aannemelijk te maken. Is sprake van een boetebeschikking waartegen vóór 1 augustus 2019 bezwaar of beroep is aangetekend? Dan moet de Belastingdienst de verzending zelfs overtuigend aantonen. Bij verzending per post dient de inspecteur aannemelijk te maken respectievelijk overtuigend aan te tonen dat hij het poststuk heeft aangeboden aan een postvervoerbedrijf. Hierbij moet eveneens duidelijk zijn om welk postvervoerbedrijf het gaat.
In deze zaak staat niet vast aan welk postvervoerbedrijf de uitspraak op bezwaar is aangeboden. De Belastingdienst heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt noch overtuigend aangetoond dat de uitspraak op bezwaar aan een postvervoerbedrijf is aangeboden voor verzending aan de ondernemer. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar niet correct is bekendgemaakt. In dat geval vangt de beroepstermijn pas aan op de dag waarop de belanghebbende een afschrift van die uitspraak onder ogen heeft gekregen. De eis dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk is ingesteld, komt dan te vervallen. Stelt de belanghebbende in zo’n situatie beroep in voordat hij de uitspraak op bezwaar onder ogen heeft gekregen? Dan moet een niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege blijven. Het is dan immers zeker dat op het tijdstip waarop het beroep is ingesteld, de uitspraak op bezwaar al tot stand is gekomen.
De conclusie van het dossier is duidelijk: de btw-ondernemer heeft ten tijde van het indienen van het beroepschrift de uitspraak op bezwaar nog niet onder ogen gekregen. Er is daarom geen reden om het beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk te verklaren. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep van de ondernemer gegrond.

Bron: Hoge Raad 17-06-2022

Alle winst schijn-VOF belast bij inbrenger van onderneming

Heeft een IB-ondernemer zijn bedrijf ingebracht in een VOF, maar is geen sprake van een samenwerkingsverband in materiële zin? Dan is het resultaat uit die VOF volgens Hof Den Bosch alleen toe te rekenen aan degene die zijn onderneming inbracht.

Een vrouw neemt op 1 januari 2006 de eenmanszaak van haar echtgenoot over. Daarbij maken zij gebruik van de faciliteit van de geruisloze doorschuiving. De bedrijfsactiviteiten van de eenmanszaak omvatten het beschikbaar stellen van een rijhal met alle voorkomende werkzaamheden in en rond deze hal. Daarnaast houdt het bedrijf zich bezig met de fok, opfok en africhting van jonge paarden voor de dressuursport. Ten slotte verhuurt de onderneming paardenboxen. Enkele jaren later sluit de onderneemster een VOF-overeenkomst met haar schoonzoon en haar dochter. De (schoon)moeder brengt de onroerende zaak in die zij mede gebruikt voor de onderneming. De inbreng van de schoonzoon bestaat uit in privé gehouden paarden. De dochter brengt uitsluitend arbeid in. Maar de inspecteur kent aan deze VOF-overeenkomst geen materiële waarde toe. Daarom rekent hij alle (negatieve) winst toe aan de (schoon)moeder. Deze onderneemster start vervolgens een beroepsprocedure.
Hof Den Bosch is het met de Belastingdienst eens dat feitelijk geen sprake is van een materieel samenwerkingsverband. De onderneemster geeft namelijk niet genoeg inzicht in de feitelijke samenwerking tussen haar, haar schoonzoon en haar dochter. Haar dossier bevat evenmin stukken waaruit blijkt dat de VOF naar buiten toe optreedt als samenwerkingsverband. De onderneemster stelt nog dat haar schoonzoon en haar dochter bij haar zijn ingetrokken in het woonhuis op het bedrijfsterrein. Verder is de VOF ingeschreven in het register van de Kamer van Koophandel. Deze omstandigheden zijn volgens het hof echter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Bovendien benadrukt het hof dat de rechtsvorm ook niet doorslaggevend is. De manier waarop de partijen in de praktijk handelen, is relevant. Het hof stelt dat het resultaat van de VOF volledig valt toe te rekenen aan de (schoon)moeder.
Daarnaast oordeelt het hof dat men dient uit te gaan van de herrekende verliezen zoals de Belastingdienst die heeft berekend. Maar het beroep van de onderneemster is toch gegrond. Dat komt onder meer doordat de inspecteur ten onrechte geen verliesvaststellingsbeschikking over 2011 heeft afgegeven.

Bron: Hof Den Bosch 01-06-2022 (gepubl. 21-06-2022)

Leeftijdsgrens startersvrijstelling OVB geen discriminatie

Dat alleen volwassenen tot 35 jaar de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting mogen toepassen, is volgens Rechtbank Gelderland geen vorm van verboden discriminatie.

Op grond van de zogeheten startersvrijstelling heeft een natuurlijk persoon die voor het eerst een eigen woning verkrijgt onder voorwaarden recht op een vrijstelling van overdrachtsbelasting (OVB). De waarde van die woning moet dan wel maximaal € 400.000 bedragen. Een andere belangrijke voorwaarde is dat de verkrijger op het moment van de verkrijging minstens 18 maar nog geen 35 jaar oud is. In de zaak voor de rechtbank heeft een man het standpunt ingenomen dat de leeftijdsgrens binnen de startersvrijstelling in strijd met het verbod op leeftijdsdiscriminatie. Zelf heeft hij op 16 februari 2021 een woning verkregen. Op dat moment heeft hij voldaan aan bijna alle voorwaarden voor de toepassing van de startersvrijstelling. Alleen aan de leeftijdseis heeft hij niet voldaan: hij was vijftig jaar oud op het moment van de verkrijging.
Bij het beoordelen van het standpunt naar de man kijkt de rechtbank naar de wetsgeschiedenis. De wetgever heeft zijn keuze gebaseerd op een onderzoek waaruit blijkt dat de meeste starters tussen de 25 en 35 jaar oud zijn. De gekozen leeftijdsgrens is dus passend voor de meest actieve koopstarters. Ongeveer 73% van de personen die nooit eerder een woning hebben verkregen, valt onder de doelgroep. De veronderstellingen waarvan de wetgever is uitgegaan, zijn volgens de rechtbank niet evident onredelijk. Dus is de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid gebleven. De rechtbank ziet in de leeftijdsgrens daarom geen vorm van verboden discriminatie.

Bron: Rb. Gelderland 07-06-2022 (gepubl. 19-06-2022)

A-G: Deliveroo-bezorgers zijn werknemers

A-G De Bock is van oordeel dat voor het beoordelen van het gezagscriterium voor een dienstbetrekking belangrijk is dat de werkzaamheden door de opdrachtnemer organisatorisch in de onderneming van de opdrachtgever zijn ingebed.

Deliveroo maakt het mogelijk dat onafhankelijke restaurants via platform in contact komen met klanten. Die kunnen bij Deliveroo maaltijden bestellen. De bezorgers van Deliveroo brengen die maaltijden bij de klanten thuis. Aanvankelijk waren de bezorgers in dienst bij Deliveroo op basis van een arbeidsovereenkomst, een min-max oproepcontract. Vanaf juli 2018 werken de bezorgers echter alleen nog maar op basis van een opdrachtovereenkomst. Om opdrachten te krijgen moeten de bezorger zich als ondernemer inschrijven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en een omzetbelastingnummer hebben. Bezorgers worden betaald op basis van het aantal bestelde bezorgde maaltijden. De Kantonrechter Amsterdam en het Hof Amsterdam hebben geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen Deliveroo en de bezorgers kwalificeert als een arbeidsovereenkomst.
In cassatie bij de Hoge Raad blijft Deliveroo bij haar standpunt dat de opdrachtnemers zijn te beschouwen als zelfstandig ondernemers en niet in dienstbetrekking werkzaam zijn
Het gaat bij de vraag of er een dienstbetrekking is vooral om de invulling van het criterium ‘in dienst van de andere partij’ (het gezagscriterium). Volgens de A-G is het bij de invulling van dit criterium belangrijk of het werk organisatorisch is ingebed in de onderneming van de werkverschaffer (Deliveroo). Daarvan zal al snel sprake zijn als de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van de opdrachtgever. Alleen als de opdrachtnemer zelfstandig ondernemer is, is geen sprake van organisatorische inbedding van het werk in de onderneming van de opdrachtgever. Het een sluit het ander uit. Bij vaststelling of het werk organisatorisch is ingebed in de onderneming van de opdrachtgever gaat het vooral om de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden. Dat is ook in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ.
De A-G is van oordeel dat de contractsbepaling dat de maaltijdbezorger vrij is om zich te laten vervangen niet aan het aanmerken van de overeenkomst tussen Deliveroo en de bezorgers als arbeidsovereenkomst in de weg staat. Dat geldt ook voor de vrijheid van de bezorger om te werken wanneer hij of zij dat wil.

Bron: A-G De Bock 17-06-2022

Gedeeltelijk staken betekent niet volledige heretikettering

Dat een onderneming gedeeltelijk is gestaakt, betekent volgens Hof Arnhem-Leeuwarden nog niet alle de bedrijfsmiddelen die tot de onderneming behoren overgaan naar het privévermogen.

Een echtpaar drijft via een stille maatschap een agrarische onderneming. De ondernemersactiviteiten omvatten het houden van vleeskuikens en het verbouwen van akkerbouw- en tuinbouwproducten. Voor het verbouwen van laatstgenoemde producten maakt de maatschap gebruik van cultuurgrond. Sinds 2011 verpacht zij echter alle cultuurgrond en verbouwt zij geen akkerbouw- of tuinbouwproducten meer. Toch blijft de man de cultuurgrond rekenen tot zijn ondernemingsvermogen. In 2015 staakt de maatschap het houden van vleeskuikens. Wanneer de Belastingdienst wil afrekenen over de stille reserves in de cultuurgrond, stelt de man dat dit niet meer mogelijk is. Hij beweert dat de cultuurgrond al in 2011 had moeten overgaan naar het privévermogen. Volgens hem valt deze fout te herstellen met de foutenleer. De Belastingdienst verwerpt deze stelling. Maar in een beroepsprocedure stelt Rechtbank Noord-Nederland de man in het gelijk.
Daarop gaat de fiscus in hoger beroep. Het hof haalt uit oudere arresten dat men bij gedeeltelijke staking de activa van het gestaakte deel niet per definitie moet aanmerken als verplicht privévermogen. Daardoor heeft de maat de cultuurgrond ook na 2011 in redelijkheid kunnen blijven rekenen tot zijn ondernemingsvermogen. Dat heeft de maat trouwens ook gedaan, zelfs met cultuurgrond die hij na de verkrijging is gaan verpachten. Het gevolg is dat er geen reden is om de cultuurgrond al in 2011 te laten overgaan naar het privévermogen. Die overgang komt pas aan de orde bij de staking van de rest van de onderneming in 2015. De boekwinst op de cultuurgrond behoort dus wel degelijk tot de stakingswinst in 2015.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 31-05-2022 (gepubl. 10-06-2022)

Terugkomen op berekening aftrekbeperking is mogelijk

Bepaalde algemene kosten zijn beperkt aftrekbaar van de fiscale winst. De IB-ondernemer kan kiezen tussen twee manieren om de aftrekbeperking te berekenen. Zolang de aanslag nog niet onherroepelijk vaststaat, kan hij terugkomen op deze keuze.

IB-ondernemers kunnen kosten van voedsel, drank, genotmiddelen, representatie, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke in principe niet volledig aftrekken van de fiscale winst. Hetzelfde geldt voor de kosten van reizen in verband met de eerder genoemde uitgaven. In beginsel bestaat de kostenbeperking uit een vast bedrag van € 4.800 (bedrag 2022). Maar de IB-ondernemer kan ervoor kiezen om een andere manier te hanteren om de kostenaftrekbeperking te berekenen. In dat geval trekt hij 80% (percentage 2022) van de desbetreffende kosten af. Overigens zijn kosten van een privéauto of een auto die in privé is gehuurd eerst beperkt tot een bedrag van € 0,19 per kilometer. De regeling van deze aftrekbeperking geldt ook voor vennootschapsbelastingplichtige lichamen met een of meer werknemers. In dat geval bedraagt het vaste bedrag 0,4% van de totale loonsom, maar minstens € 4.800. Lichamen mogen kiezen om in plaats daarvan 73,5% van de beperkte aftrekbare kosten af te trekken.
Een zaak voor Rechtbank Noord-Nederland ziet op de vennoot van een VOF. De Belastingdienst heeft verschillende correcties toegepast op het inkomen dat de vennoot heeft opgegeven. Vanwege deze correcties legt de fiscus de vennoot een navorderingsaanslag IB/PVV 2012 op. Een van de correcties bestaat uit het beperken van de aftrek van enkele algemene kosten. Daarbij stelt de inspecteur het niet-aftrekbare bedrag op een vast bedrag van € 4.300. In de bezwaarprocedure geeft de vennoot aan de aftrekbeperking te willen stellen op 26,5% van de desbetreffende kosten. Maar de Belastingdienst beweert dat de man deze keuze uiterlijk kenbaar heeft moeten maken bij het indienen van de aangifte. De rechtbank is het niet eens met dat standpunt. In de inkomstenbelasting mogen belastingplichtigen in het algemeen terugkomen op een keuze. Tenminste, totdat de aanslag onherroepelijk vaststaat. Deze regel geldt volgens de rechtbank ook met betrekking tot de beperkt aftrekbare kosten.

Bron: Rb. Noord-Nederland 07-06-2022 (gepubl. 09-06-2022)

In belang der wet is oordeel HR over eHerkenning nodig

Advocaat-generaal Niessen heeft op eigen initiatief de gevorderd dat de Hoge Raad in een cassatieprocedure oordeelt of het verplichte gebruik van eHerkenning een wettelijke basis heeft.

Een werkgever of een lichaam die een aangifte loonheffingen respectievelijk vennootschapsbelasting wil indienen zonder tussenkomst van een intermediair of zonder gebruik van commerciële aangiftesoftware moet sinds 1 januari 2020 de aangifte digitaal doen via het portaal ‘MijnBelastingdienst zakelijk’ (MBD-Z). Om in te kunnen loggen op MBD-Z heeft men het authenticatiemiddel eHerkenning met betrouwbaarheidsniveau 3 nodig. Dit inlogmiddel kan de belasting- of inhoudingsplichtige alleen tegen betaling bij een commerciële partij kopen. Dat is geregeld in de Regeling Elektronisch Berichtenverkeer Belastingdienst (Regeling EBV). Rechtbank Gelderland heeft geoordeeld dat het verplichte gebruik van eHerkenning een wettelijke basis ontbeert. De inspecteur is in deze zaak niet in hoger beroep gegaan. De werkgever hoeft over het desbetreffende tijdvak namelijk überhaupt geen loonheffing af te dragen.
De Advocaat-generaal (A-G) vindt dat het in het belang van de wet is dat de hoogste nationale rechter uitspraak doet over deze zaak. De A-G vordert daarom zelf een cassatieprocedure. Volgens de A-G heeft de verplichting om aangifte te doen door middel van eHerkenning wel een wettelijke basis. Op grond van artikelen 2:15 Awb en 3a AWR kan de minister van Financiën eisen stellen aan de wijze waarop men een bericht via de elektronische weg stuurt aan een bestuursorgaan. Dit heeft de minister gedaan door het gebruik van bepaalde authenticatiemiddelen verplicht te stellen. Het betreft de authenticatiemiddelen die voldoen aan Europese regelgeving over de toegangsbeveiliging van (overheids)informatiesystemen die persoonsgegevens verwerken. De minister is binnen zijn bevoegdheid gebleven, aldus de A-G. Daarom vordert hij de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit brengt geen nadeel aan de rechten die de partijen met die uitspraak hebben verkregen.

Bron: Conclusie A-G Niessen 10-06-2022 (gepubl. 13-06-2022)