Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Vordering volgens huwelijkse voorwaarden geen legaat

Bevatten huwelijkse voorwaarden een bepaling dat echtgenoten na het einde van het huwelijk de deling van beider vermogensvermeerderingen kunnen vorderen? En zijn die vermogensvermeerderingen tijdens huwelijk niet verrekend? Dan is de vordering van de langstlevende echtgenoot op de overleden echtgenoot geen fictieve verkrijging voor de Successiewet.

Een vrouw is tot het overlijden van haar echtgenoot onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd. In de huwelijkse voorwaarden is onder meer opgenomen dat er geen gemeenschap van goederen zal bestaan. Ook is opgenomen dat na het eindigen van het huwelijk ieder van de echtgenoten de deling van de beide vermogensvermeerderingen kan vorderen. De echtgenoot heeft de vrouw onterfd en haar een legaat van € 450.000 toegekend. In de aangifte erfbelasting is rekening gehouden met een bedrag van € 1.781.413 als fictieve verkrijging, zijnde de helft van beider vermogensvermeerderingen tijdens het huwelijk ontstaan.

Het geschil Bij Rechtbank Gelderland is in geschil of de vordering van de vrouw op haar echtgenoot vanwege een niet-uitgevoerd verrekenbeding een fictieve verkrijging in de zin van de Successiewet vormt. Volgens de inspecteur is dat wel het geval. Hij onderbouwt zijn stelling door te verwijzen naar de arresten van de Hoge Raad van 20 februari 1963 en 11 januari 1995.

Geen fictieve verkrijging De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in 1994 heeft beslist dat de vordering vanwege een niet-uitgevoerd periodiek verrekenbeding niet krachtens erfrecht als legaat is verkregen. Deze vordering werd krachtens huwelijksvermogensrecht verkregen. In voornoemd arrest is sprake van een periodiek verrekenbeding. Dat is in de casus van deze uitspraak niet het geval, maar de vrouw kon ook tijdens leven verrekening vorderen, namelijk bij scheiding. Uit de formulering van de huwelijkse voorwaarden kan volgens de rechtbank daarom geen andere conclusie worden getrokken dan dat op het verrekenbeding ook anders dan bij overlijden een beroep kan worden gedaan. Dit maakt de casus in deze uitspraak vergelijkbaar met die in voornoemd arrest van de Hoge Raad. De rechtbank oordeelt verder dat de door de inspecteur genoemde arresten niet vergelijkbaar zijn. Hierin was in de huwelijkse voorwaarden juist opgenomen dat de vordering vanwege vermogensvermeerderingen pas na overlijden opeisbaar werden.

Aanslag erfbelasting vernietigd De vrouw heeft het bedrag van € 1.781.413 krachtens huwelijksvermogensrecht verkregen. Aangezien de waarde van het legaat onder de partnervrijstelling blijft, vermindert de rechtbank de aanslag erfbelasting naar nihil.

Bron: Rb. Gelderland 28-05-2024 (gepubl. 07-06-2024).

Tweede naheffingsaanslag naar aanleiding van btw-suppletie

Ook als de inspecteur dankzij een suppletieaangifte van de ondernemer weet dat te weinig btw is nageheven, kan hij een tweede naheffingsaanslag opleggen.

Een bv houdt zich bezig met het ontwikkelen en produceren van maatwerksoftware, overige dienstverlenende activiteiten op het gebied van informatietechnologie en activiteiten op het gebied van belastingadvies. Zij heeft aanvankelijk geen aangiften omzetbelasting ingediend voor de eerste drie kwartalen van 2019. Daarom legt de Belastingdienst naheffingsaanslagen omzetbelasting over deze drie kwartalen op. In 2020 dient de bv een suppletieaangifte btw in over de drie kwartalen. De verschuldigde btw-bedragen volgens deze aangiften zijn hoger dan de nageheven btw. De inspecteur legt de bv daarom nogmaals naheffingsaanslagen op. De bv gaat in beroep tegen deze aanslagen. Zij beargumenteert dat de suppletieaangifte kwalificeert als een bezwaarschrift. Op grond van het zogeheten verbod op ‘reformatio in peius’ mag het instellen van een beroepschrift niet ertoe leiden dat zij erop achteruit gaat. Volgens de bv heeft de Belastingdienst dit verbod geschonden.

Geen schending van verbod op reformatio in peius Hof Den Haag oordeelt dat de inspecteur mag naheffen als hij tijdens de bezwaarschriftprocedure op de hoogte raakt van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat een belastingplichtige meer belasting is verschuldigd. Daarbij geldt als voorwaarde dat hij daartoe ook bevoegd zou zijn als geen bezwaarschrift zou zijn ingediend. Het hof redeneert dat de Belastingdienst door het instellen van het bezwaar tegen de naheffingsaanslagen van 31 oktober 2020 op het spoor is gekomen van de omstandigheid dat te weinig btw is nageheven. Maar die omstandigheid staat het opleggen van de latere naheffingsaanslagen niet in de weg. De inspecteur is immers bevoegd om deze omzetbelasting na te heffen en heeft voldaan aan de desbetreffende voorwaarden. Het opleggen van de naheffingsaanslag is niet toegestaan als dit in strijd zou zijn met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Maar dat is niet gesteld en evenmin gebleken. Het hoger beroep van de bv is ongegrond.

Bron: Hof Den Haag 11-04-2024 (gepubl. 06-06-2024).

Rente over op restschuld bijgeschreven rente niet aftrekbaar

Wordt na de vervreemding van een eigen woning rente bijgeschreven op de restschuld? Dan is de rente over die bijgeschreven rente niet aftrekbaar.

Een man verkoopt medio januari 2014 zijn eigen woning voor € 495.000. De verkoopkosten bedragen € 4.512 en de man heeft nog een hypotheekschuld van € 642.400. Daardoor houdt hij nog een restschuld over van € 151.912. Later dat jaar draagt de bank de resterende vordering op de man over aan een derde. De renten die zijn verschuldigd over deze restschuld worden jaarlijks nagenoeg volledig bijgeschreven op de hoofdsom. De eerste keer dat de man zijn aangifte IB/PVV 2018 indient, trekt hij € 4.484 af als rente over de restschuld. Rente over een restschuld die is ontstaan bij een verkoop van een eigen woning in de periode 29 oktober 2012 – 31 december 2017 is namelijk nog vijftien jaar aftrekbaar. Naderhand dient de man opnieuw de aangifte over 2018 in, maar dit keer trekt hij € 22.297 af als kosten van de restschuld. De Belastingdienst accepteert dit bedrag niet.

Geen aftrek van rente over restschuld van ex-partner Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden is de weigering van de aftrek van de extra kosten van de restschuld terecht. Ten eerste heeft de man niet alleen zijn eigen aandeel in de rente over de restschuld willen aftrekken, maar ook het aandeel van zijn ex-partner. De man heeft echter geen echtscheidingsconvenant overgedragen nog op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij draagplichtig is met betrekking tot de restschuld van zijn ex-partner. Verder wijst het hof erop dat niet alleen de rente die de man heeft betaald over de restschuld aftrekbaar is. Ook de rente die is bijgeschreven op de hoofdsom en daardoor rentedragend is geworden, is aftrekbaar. Maar de rente die nadien is verschuldigd over de bijgeschreven rente, is niet aftrekbaar. Alleen de schuld die direct voor de vervreemding van de eigen woning bestond, kan immers kwalificeren als restschuld. Het hof verklaart het hoger beroep van de man ongegrond.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 28-05-2024 (gepubl. 07-06-2024).

Hoge Raad geeft regels om werkelijk rendement box 3 te bepalen

De Hoge Raad heeft op 6 juni 2024 de uitgangspunten geformuleerd om tot vaststelling van het werkelijke rendement in box 3 te komen.

Voor het jaar 2017 heeft een belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gehad. De aanslag vermeldt een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) van € 47.811. Bij het hof was de hoogte van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in geschil. Het hof heeft bepaald dat het werkelijke rendement op het vermogen € 36.000 bedroeg. De staatssecretaris is tegen dit oordeel in cassatie gegaan.

Oordeel Hoge Raad In het Kerstarrest is beslist dat het forfaitaire stelsel van box 3, zoals dat sinds 1 januari 2017 van toepassing was, in strijd is met art. 14 EVRM en art. 1 EP. Om aan de getroffen belastingplichtigen tegemoet te komen, is de Wet rechtsherstel box 3 (Herstelwet) tot stand gekomen. Die wet kent eveneens een stelsel van heffing gebaseerd op een forfaitaire berekening van het rendement op box 3-vermogen. In het onderhavige arrest komt de Hoge Raad tot de conclusie dat ook de Herstelwet in strijd is met art. 14 EVRM en art. 1 EP als het in die wet voorziene forfaitaire stelsel leidt tot een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijke rendement. Daarbij is niet van belang hoe groot het verschil is tussen het forfaitaire en werkelijke rendement. Het vorenstaande geldt ook voor de Overbruggingswet box 3 die op 1 januari 2023 in werking is getreden.

Uitgangspunten vaststellen werkelijk rendement box 3 Wat betreft het vaststellen van het werkelijke rendement heeft de Hoge Raad de volgende regels geformuleerd:

Het werkelijke rendement op het gehele box 3-vermogen dient in aanmerking te worden genomen;

Zonder aftrek van het bedrag aan heffingsvrije vermogen;

Het werkelijke rendement betreft het saldo van positieve en negatieve resultaten van de verschillende vermogensbestanddelen in enig jaar;

Daarbij worden alle vermogensbestanddelen in aanmerking genomen die de belastingplichtige in de loop van het jaar heeft gehad, en dus niet alleen de vermogensbestanddelen die men op de peildatum had;

Het nominale rendement is uitgangspunt, dus zonder rekening te houden met inflatie;

Geen rekening wordt gehouden met positieve of negatieve rendementen in andere jaren;

Niet alleen getrokken voordelen, zoals rente, dividend en huur, worden in aanmerking genomen, maar ook positieve en negatieve waardeveranderingen, zelfs als deze nog niet zijn gerealiseerd;

Geen rekening wordt gehouden met kosten;

Bij de vaststelling van het werkelijke rendement op schulden kan wel rekening worden gehouden met daarop betrekking hebbende renten;

Op de belastingplichtige rust de last om de omvang van het werkelijke rendement te bewijzen;

Rechtsherstel wordt geboden door de belastingaanslag zo ver te verminderen dat alleen nog belasting in box 3 wordt geheven over het werkelijke rendement.

Verder heeft de Hoge Raad nog enige regels geformuleerd over voorkoming van dubbele belasting bij bezittingen in het buitenland.

Bron: Hoge Raad 06-06-2024 (ECLI:NL:HR:2024:704).

IMSV ondanks verrekening met gesloten beurs

Ook als een belanghebbende met zijn gemachtigde bij voorbaat afspreekt dat alle te ontvangen proceskostenvergoedingen, dwangsommen en/of schadevergoedingen aan de gemachtigde worden uitbetaald, ervaart hij bij overschrijding van de redelijke termijn van de procedure spanning en frustratie.

In een BPM-zaak heeft de procedure twee jaar en acht maanden geduurd. Rechtbank Den Haag heeft slechts een IMSV (immateriële schadevergoeding) toegekend van € 500. Hof Den Haag vindt een hogere vergoeding niet nodig, omdat wordt getwijfeld aan de aanwezigheid van spanning en frustratie bij belanghebbende. Belanghebbende is namelijk met haar gemachtigde overeengekomen dat alle vergoedingen voor proceskosten en schade aan gemachtigde toekomen. De gemachtigde brengt deze vergoedingen in mindering op de vergoeding die de gemachtigde in rekening brengt aan belanghebbende. Een en ander leidt tot een verrekening met gesloten beurs.

Oordeel Hoge Raad De Hoge Raad vernietigt dit oordeel. Een belanghebbende kan bij voorbaat een beslissing nemen over de besteding van de vergoeding wegens spanning en frustratie vanwege de lange duur van een procedure. Dat brengt echter nog niet mee dat die spanning en frustratie hem bespaard zullen blijven. Uit een dergelijke beslissing volgt evenmin dat wordt afgezien van het recht op IMSV. De Hoge Raad kent daarom een IMSV toe van € 1.000.

Bron: Hoge Raad 31-05-2024.

Verhuur werkruimtes aan eigen bv is economische activiteit

De rechtbank oordeelt dat bij een terbeschikkingstelling van werkruimtes door de dga aan zijn bv voor al meer dan 12 jaar, sprake is van een economische activiteit. Daardoor kan de dga deel uitmaken van een fiscale eenheid omzetbelasting.

Een dga heeft alle aandelen in een holding. Deze holding houdt alle aandelen in een tussenholding. De tussenholding houdt alle aandelen in acht bv’s. De dga stelt werkkamers en een garage ter beschikking aan de tussenholding. De dga gebruikt de ter beschikking gestelde ruimtes voor de uitoefening van de dienstbetrekking. De inspecteur heeft na een verzoek van de dga alleen de holding en tussenholding als fiscale eenheid voor de omzetbelasting aangemerkt. Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of ook de dga deel kan uitmaken van de fiscale eenheid omzetbelasting hetgeen de inspecteur bestrijdt.

Oordeel rechtbank De rechtbank constateert dat de dga de ruimtes al meer dan 12 jaar ononderbroken ter beschikking stelt aan de bv als kantoor en werkkamer voor haar directeur. In ruil voor die terbeschikkingstelling ontvangt de dga een vergoeding. Er is geen andere conclusie mogelijk dan dat de ruimtes worden gebruikt om er duurzaam opbrengst uit te krijgen. De verhuur is een economische activiteit. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en merkt de dga, zijn holding en tussenholding aan als één ondernemer voor de btw vanaf 1 juli 2022.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 29-05-2024 (gepubl. 03-06-2024).

Verhuurwoning en zonnepanelen zijn één investering voor btw

Laat een btw-ondernemer tijdens de bouw van een voor verhuur bestemde woning zonnepanelen aan het dak bevestigen? En gebruikt hij vervolgens de verhuurwoning als geheel voor economische activiteiten? Dan vormen de verhuurwoning en de zonnepanelen voor de btw één investeringsgoed.

Een man laat op zijn perceel een woning met zonnepanelen bouwen. Deze woning is bestemd voor btw-vrijgestelde verhuur. De elektriciteit van de zonnepanelen wordt gebruikt voor de voor verhuur bestemde woning en de eigen woning van de man. Hij levert het surplus tegen een vergoeding aan een energiebedrijf. Voor de bouw van de verhuurwoning is aan de man € 50.739 aan btw in rekening gebracht. Hiervan heeft € 2.959 betrekking op de zonnepanelen. De inspecteur heeft bij beschikking ‘slechts’ teruggaaf verleend van bedrag van € 2.959. Hof Den Haag heeft dit bedrag verhoogd tot € 4.428. De staatssecretaris heeft cassatieberoep aangetekend.

Investeringsgoed wordt uitsluitend gebruikt voor bedrijfsdoeleinden De Hoge Raad overweegt als volgt. Rekent een ondernemer, zoals de man met betrekking tot de verhuurwoning, een investeringsgoed tot zijn ondernemingsvermogen? En gebruikt hij dat goed als zodanig uitsluitend voor bedrijfsdoeleinden? Dan moet men aannemen dat de uitgaven die zijn gemaakt voor dat investeringsgoed rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met de economische activiteiten van die ondernemer. Voor het vaststellen van een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen uitgaven en gebruik voor bedrijfsdoeleinden is niet van belang of die belastbare handelingen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld van btw. Het (impliciete) hofoordeel luidt dat de uitgaven van de man voor de verhuurwoning hun uitsluitende oorzaak vinden in de economische activiteiten van belanghebbende en dat die uitgaven objectief daarmee verband houden. Dat hofoordeel is volgens de Hoge Raad cassatieproof. Het ‘hoe dan ook’-criterium uit het arrest van de Hoge Raad van 16 juli 2021 is in dit geval niet van toepassing.

Maar één investeringsgoed Verder zet de Hoge Raad uiteen dat men de voor verhuur bestemde woning met de daarop geplaatste zonnepanelen als één investeringsgoed in aanmerking moet nemen. Voor de aftrek van btw ter zake van de huurwoning, telt daarom – anders dan waarvan het hof is uitgegaan – alle btw mee die ter zake van de bouw en levering van de huurwoning plus zonnepanelen in rekening is gebracht. In deze casus gebruikt de ondernemer een investeringsgoed voor zowel belaste als vrijgestelde handelingen. In zo’n situatie kan de ondernemer de voorbelasting in aftrek brengen op basis van de pro rata-methode.

Te hoge btw-teruggaaf Aan belanghebbende is voor de bouw van de voor verhuur bestemde woning inclusief zonnepanelen € 50.739 in rekening gebracht. Ook indien wordt uitgegaan van het door het hof vastgestelde aftrekbare percentage van vijf, moet worden geoordeeld dat de teruggaaf van € 2.959 hoger is geweest dan waarop belanghebbende recht heeft. Daarom slaagt het cassatieberoep van de staatssecretaris. De Hoge Raad vernietigt de hofuitspraak en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Bron: Hoge Raad 31-05-2024, Hof Den Haag 11-11-2021 (gepubl. 02-12-2021), Hoge Raad 16-07-2021

Geen proceskostenvergoeding voor overbodige beroepsprocedure

Geeft een belanghebbende in de bezwaarfase een evidente onrechtmatige aanslag effectief gezien niet betwist? Dan kan de belastingrechter afzien van het toekennen van een proceskostenvergoeding die ziet op de beroepsprocedure.

In zijn bezwaarschrift tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting vraagt een man om te worden gehoord. Hij reageert echter niet op meerdere pogingen om een tijdstip voor een hoorzitting af te spreken. De gemeente verklaart het bezwaarschrift van de man daarom ongegrond. Wanneer de man in beroep gaat, zijn de partijen het erover eens dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Rechtbank Den Haag concludeert dat de beroepsprocedure niet nodig was geweest als de man de evident onrechtmatige naheffingsaanslag effectief had betwist. De rechtbank kent de man daarom geen proceskostenvergoeding die betrekking heeft op de beroepsprocedure. De man krijgt wel een proceskostenvergoeding toegekend voor de kosten die hij in de bezwaarfase heeft moeten maken.

Bron: Rb. Den Haag 16-05-2024 (gepubl. 30-05-2024).

Verliesverrekeningsbeschikking levert geen rente op

Wie een vergoeding van schade als gevolg van een verliesvaststellingsbeschikking wil ontvangen, moet niet in beroep gaan tegen de verliesverrekeningsbeschikking.

Een bv krijgt over het boekjaar 2006/2007 een nihilaanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De belastbare winst is namelijk dat jaar negatief. Daarnaast stelt de Belastingdienst een verliesvaststellingsbeschikking op. Volgens deze beschikking bedraagt het verrekenbare verlies € 62.692. De bv gaat met succes in beroep tegen de verliesvaststellingsbeschikking. De belastingrechter stelt het verlies over het boekjaar 2006/2007 op € 1.581.368. Vervolgens is het verlies van het boekjaar 2006/2007 gedeeltelijk verrekend met de winst van het boekjaar 2003/2004. Ter zake van deze verliesverrekening is geen rente vergoed. De bv verzoekt echter om een vergoeding van rente ‘in welke vorm dan ook’ over de periode van 7 augustus 2010 tot en met 30 mei 2017. Zij gaat in beroep tegen de verliesverrekeningsbeschikking.

Rentederving door verliesvaststellingsbeschikking De Hoge Raad merkt op dat de verliesverrekeningsbeschikking ten onrechte niet gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2006/2007 is gegeven. Maar die omstandigheid is onvoldoende om het beroep betreffende de verliesverrekeningsbeschikking gegrond te verklaren. De verrekening van een verlies kan immers ook plaatsvinden in andere situaties dan bij het vaststellen van een belastingaanslag. Bovendien heeft de bv rente gederfd door de verliesvaststellingsbeschikking en niet door de verliesverrekeningsbeschikking. Verder heeft de wetgever voorzien in een uitputtende regeling voor wat betreft de rentevergoeding. Deze regeling komt erop neer dat in situaties van achterwaartse verliesverrekening geen recht bestaat op de vergoeding van rente. Evenmin bestaat in zo’n geval recht op rente in de vorm van schadevergoeding.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.

LKV ook na bedrijfsovergang toe te passen

De Hoge Raad bevestigt dat het loonkostenvoordeel oudere werkgever is toe te passen na de overgang van een onderneming.

Een vrouw is op 1 maart 2018 een dienstbetrekking aangegaan bij een eenmanszaak die edelstenen bewerkt en sieraden vervaardigt. Op 26 april 2018 geeft het UWV ten name van de vrouw een doelgroepverklaring af. Daardoor is het loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemers toe te passen. De ondernemer zet zijn eenmanszaak op 7 mei 2018 om in een VOF met zichzelf en zijn echtgenote als vennoten. De VOF wil over de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 het LKV oudere werknemers toepassen. De inspecteur weigert echter de toepassing van dit LKV. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was deze weigering onterecht. Maar de staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie tegen de hofuitspraak.

Doel van LKV Men kan stellen dat door de overgang van rechten en verplichtingen op de nieuwe werkgever een nieuwe dienstbetrekking ontstaat, aldus de Hoge Raad. Het tijdstip van overgang van de onderneming is dan het moment waarop de dienstbetrekking ontstaat. De nieuwe werkgever kan onder die redenering niet het LKV oudere werknemer toepassen voor het restant van de driejaarsperiode. Maar dat gevolg botst met het doel van het LKV. Het LKV is immers bedoeld om werkgevers via een financiële prikkel te stimuleren mensen in dienst te nemen uit bepaalde doelgroepen die een kwetsbare positie hebben op de arbeidsmarkt.

Nieuwe werkgever moet om LKV verzoeken In deze zaak is ook van belang dat de overgang heeft plaatsgevonden zonder dat de werkgever en werknemer dat eerst zijn overeengekomen. De Hoge Raad vindt het daarom meer voor de hand liggen om na overgang van een onderneming voor wat betreft een LKV het volgende uitgangspunt te volgen. Dat uitgangspunt luidt dat het tijdstip waarop de oorspronkelijke werkgever en de werknemer het eens zijn geworden over het aangaan van de dienstbetrekking, het moment is waarop de dienstbetrekking is aangevangen. De omstandigheid dat de werknemer in geval van overgang van de onderneming een andere werkgever krijgt, heeft wel een consequentie. De nieuwe werkgever moet namelijk het verzoek om een LKV oudere werknemer doen voor zover het verzoek betrekking heeft op de periode na die overgang. In deze zaak heeft de VOF dat ook gedaan. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.