Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Verliesverrekeningsbeschikking levert geen rente op

Wie een vergoeding van schade als gevolg van een verliesvaststellingsbeschikking wil ontvangen, moet niet in beroep gaan tegen de verliesverrekeningsbeschikking.

Een bv krijgt over het boekjaar 2006/2007 een nihilaanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De belastbare winst is namelijk dat jaar negatief. Daarnaast stelt de Belastingdienst een verliesvaststellingsbeschikking op. Volgens deze beschikking bedraagt het verrekenbare verlies € 62.692. De bv gaat met succes in beroep tegen de verliesvaststellingsbeschikking. De belastingrechter stelt het verlies over het boekjaar 2006/2007 op € 1.581.368. Vervolgens is het verlies van het boekjaar 2006/2007 gedeeltelijk verrekend met de winst van het boekjaar 2003/2004. Ter zake van deze verliesverrekening is geen rente vergoed. De bv verzoekt echter om een vergoeding van rente ‘in welke vorm dan ook’ over de periode van 7 augustus 2010 tot en met 30 mei 2017. Zij gaat in beroep tegen de verliesverrekeningsbeschikking.

Rentederving door verliesvaststellingsbeschikking De Hoge Raad merkt op dat de verliesverrekeningsbeschikking ten onrechte niet gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2006/2007 is gegeven. Maar die omstandigheid is onvoldoende om het beroep betreffende de verliesverrekeningsbeschikking gegrond te verklaren. De verrekening van een verlies kan immers ook plaatsvinden in andere situaties dan bij het vaststellen van een belastingaanslag. Bovendien heeft de bv rente gederfd door de verliesvaststellingsbeschikking en niet door de verliesverrekeningsbeschikking. Verder heeft de wetgever voorzien in een uitputtende regeling voor wat betreft de rentevergoeding. Deze regeling komt erop neer dat in situaties van achterwaartse verliesverrekening geen recht bestaat op de vergoeding van rente. Evenmin bestaat in zo’n geval recht op rente in de vorm van schadevergoeding.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.

LKV ook na bedrijfsovergang toe te passen

De Hoge Raad bevestigt dat het loonkostenvoordeel oudere werkgever is toe te passen na de overgang van een onderneming.

Een vrouw is op 1 maart 2018 een dienstbetrekking aangegaan bij een eenmanszaak die edelstenen bewerkt en sieraden vervaardigt. Op 26 april 2018 geeft het UWV ten name van de vrouw een doelgroepverklaring af. Daardoor is het loonkostenvoordeel (LKV) oudere werknemers toe te passen. De ondernemer zet zijn eenmanszaak op 7 mei 2018 om in een VOF met zichzelf en zijn echtgenote als vennoten. De VOF wil over de periode van 1 mei 2018 tot en met 31 december 2018 het LKV oudere werknemers toepassen. De inspecteur weigert echter de toepassing van dit LKV. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden was deze weigering onterecht. Maar de staatssecretaris van Financiën gaat in cassatie tegen de hofuitspraak.

Doel van LKV Men kan stellen dat door de overgang van rechten en verplichtingen op de nieuwe werkgever een nieuwe dienstbetrekking ontstaat, aldus de Hoge Raad. Het tijdstip van overgang van de onderneming is dan het moment waarop de dienstbetrekking ontstaat. De nieuwe werkgever kan onder die redenering niet het LKV oudere werknemer toepassen voor het restant van de driejaarsperiode. Maar dat gevolg botst met het doel van het LKV. Het LKV is immers bedoeld om werkgevers via een financiële prikkel te stimuleren mensen in dienst te nemen uit bepaalde doelgroepen die een kwetsbare positie hebben op de arbeidsmarkt.

Nieuwe werkgever moet om LKV verzoeken In deze zaak is ook van belang dat de overgang heeft plaatsgevonden zonder dat de werkgever en werknemer dat eerst zijn overeengekomen. De Hoge Raad vindt het daarom meer voor de hand liggen om na overgang van een onderneming voor wat betreft een LKV het volgende uitgangspunt te volgen. Dat uitgangspunt luidt dat het tijdstip waarop de oorspronkelijke werkgever en de werknemer het eens zijn geworden over het aangaan van de dienstbetrekking, het moment is waarop de dienstbetrekking is aangevangen. De omstandigheid dat de werknemer in geval van overgang van de onderneming een andere werkgever krijgt, heeft wel een consequentie. De nieuwe werkgever moet namelijk het verzoek om een LKV oudere werknemer doen voor zover het verzoek betrekking heeft op de periode na die overgang. In deze zaak heeft de VOF dat ook gedaan. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van de staatssecretaris ongegrond.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024.

Werkgever kon gezonde lunchmaaltijden onbelast verstrekken

Volgens de Hoge Raad valt de gratis verstrekking van gezonde lunchmaaltijden aan werknemers door een werkgever onder de gerichte vrijstelling voor arbovoorzieningen voor de loonbelasting zoals die tot 2022 gold.

Een werkgever heeft in de jaren 2017 en 2018 vanuit haar bedrijfsrestaurant gratis lunchmaaltijden aan haar werknemers verstrekt. De werknemers krijgen daarbij dagelijks de keuze tussen twee – gezonde en uitgebalanceerde – lunchmaaltijden. Deze lunchmaaltijden zijn samengesteld door een diëtiste en voldoen aan de richtlijn gezonde voeding van de Gezondheidsraad en de ‘schijf van vijf’ van het Voedingscentrum. De werkgever heeft de gratis verstrekking van de lunchmaaltijden aangemerkt als onderdeel van het arbeidsomstandighedenbeleid dat hij heeft gevoerd ter voldoening aan zijn verplichtingen volgens de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet). Volgens de inspecteur, de rechtbank en het hof kan een werkgever gezonde lunchmaaltijden niet onbelast verstrekken. Bij de Hoge Raad is in cassatie is in geschil of de verstrekking van gezonde lunchmaaltijden valt onder de gerichte vrijstelling voor voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de arbeidsomstandighedenwet.

Sinds 2011 versoepeling gerichte vrijstelling arbovoorzieningen De Hoge Raad oordeelt dat een werkgever voor wat betreft het arbobeleid eigen beleidsruimte heeft. Daardoor kan een werkgever ook maatregelen nemen waartoe deze niet verplicht is op grond van de Arbowet. Tot 1 januari 2011 geldt de gerichte vrijstelling alleen voor de arbovoorziening die direct samenhangt met de verplichtingen die voortvloeien uit de Arbowet. Die eis van verplichtingen uit de Arbowet is voor de gerichte vrijstelling per 2011 komen te vervallen. Voldoende voor de gerichte vrijstelling is dat de voorzieningen rechtstreeks voortvloeien uit het door de werkgever gevoerde arbobeleid. Van algemene bekendheid is dat gezond eten de kans op ziekten vermindert en dat het herstel na een ziekte kan worden bevorderd. Dus kan het verstrekken van gezonde lunchmaaltijden aan personeel deel uitmaken van het beleid van een werkgever ter voorkoming van ziekteverzuim volgens de Hoge Raad.

Slotsom De Hoge Raad doet de zaak zelf af. Ten eerste oordeelt de Hoge Raad dat de gratis verstrekking van de lunchmaaltijden door de werkgever rechtstreeks voortvloeit uit het door die werkgever gevoerde arbobeleid. Ten tweede verwerpt de Hoge Raad het door de staatssecretaris ingenomen standpunt dat maaltijden naar hun aard per definitie niet onder een gerichte vrijstelling zouden kunnen vallen. Ook verwerpt de Hoge Raad het standpunt van de staatssecretaris dat de vrijstelling niet van toepassing kan zijn op verstrekkingen die bij werknemers tot een enorme privébesparing leiden. Ten derde oordeelt de Hoge Raad dat het niet noodzakelijk is dat een werkgever het arbobeleid schriftelijk vastlegt.

NB. Per 2022 geldt dat de gerichte vrijstelling alleen van toepassing is voor verplichtingen van de inhoudingsplichtige die direct samenhangen met arbovoorzieningen op grond van de Arbowet.

Bron: Hoge Raad 24-05-2024 (ECLI:NL:HR:2024:745).

Verliezen na aandeelhouderswijziging niet meer aftrekbaar

Verliezen van een vennootschap zijn na een aandeelhouderswijziging niet meer verrekenbaar met de winsten die daarna worden behaald.

Een bv is eind 2005 opgericht en houdt zich bezig met het houden, verhandelen en opfokken van paarden. Vanaf 2006 tot en met 2012 zijn deze activiteiten verliesgevend. Per eind 2012 zijn de compensabele verliezen ruim € 2,5 miljoen. Op 28 november 2013 zijn alle aandelen in de bv overgegaan op een nieuwe aandeelhouder. Tot de overgenomen bezittingen van de bv behoort een voorraad paarden. Deze paarden zijn eind 2014 verkocht aan de oude aandeelhouder. Na de aandeelhouderswijziging is met deze paarden geen omzet meer behaald. Bij Hof Den Bosch is het de vraag of de verliezen verrekenbaar zijn met winsten behaald na de aandeelhouderswijziging.

Wettelijke regeling Art. 20a Wet Vpb 1969 bepaalt dat verliezen niet verrekenbaar zijn na een aandeelhouderswijziging van meer dan 30%. Verliezen zijn weer wel verrekenbaar als direct voorafgaande aan de aandeelhouderswijziging de werkzaamheden niet tot ten minste 30% zijn gekrompen ten opzichte van de werkzaamheden bij het begin van het oudste nog openstaande verliesjaar. Als binnen drie jaar na die aandeelhouderswijziging het voornemen bestaat de werkzaamheden tot meer dan 30% te laten krimpen, is het verlies ook niet aftrekbaar.

Oordeel hof Aan de voorwaarde dat meer dan 30% van de aandelen in de bv zijn verkocht, is voldaan. Voor het beoordelen of de werkzaamheden zijn gekrompen gaan partijen uit van de omzet van het gehele oudste verliesjaar. Die omzet bedroeg € 273.784, de omzet in 2013 tot de aandeelhouderswijziging bedroeg € 19.788. Het hof betrekt ook de voorraad bij het beoordelen van de inkrimping van de werkzaamheden. Ook als gekeken wordt naar de voorraad paarden is sprake van een inkrimping. De voorraad in 2006 bedroeg € 697.500 en 2013 € 308.000. Het hof komt tot het oordeel dat bij een gelijke weging van deze factoren de werkzaamheden zijn gekrompen tot 25,70% van de oorspronkelijke werkzaamheden.

Winsten met nieuwe activiteiten behaald Verliezen zijn verrekenbaar als de winsten na aandeelhouderswijziging voortvloeien uit werkzaamheden die ten tijde van de aandeelhouderswijziging bestonden. De winst in 2016 kan niet worden toegerekend aan de werkzaamheden die aanwezig waren direct voorafgaand aan de aandeelhouderswijziging. Met de bestaande voorraad paarden is geen omzet behaald. Bovendien zijn deze paarden weer verkocht aan de oude aandeelhouder. De behaalde winsten na aandeelhouderswijziging zijn het gevolg van de inbreng van een nieuwe voorraad paarden door de nieuwe aandeelhouder. Daarom is er geen verliesverrekening na aandeelhouderswijziging mogelijk.

Bron: Hof Den Bosch 01-05-2024 (gepubl. 22-05-2024).

Kort na vijfjaarstermijn ontvangen verzoek niet-ontvankelijk

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de regel dat een ambtshalve verzoek tijdig is ontvangen door de Belastingdienst als het na vijf jaar na afloop van het belastingjaar is ingediend, maar binnen een week daarna is ontvangen, niet geldt. Deze regel geldt alleen voor bezwaar- en beroepschriften.

Een man krijgt met dagtekening 3 augustus 2016 aanslagen IB/PVV en Zvw over het jaar 2014. De termijn voor het indienen van verzoeken om ambtshalve verminderingen eindigt op 1 januari 2020. Per brief met dagtekening 30 december 2019 wordt namens de man verzocht om ambtshalve verminderingen van voornoemde aanslagen. De inspecteur ontvangt het verzoek op 2 januari 2020. In 2022 is de man overleden. Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2014 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook hebben de erfgenamen van de man verzocht om vergoeding van immateriële schade.

Ontvangst verzoek De rechtbank oordeelt dat voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering een termijn geldt van vijf jaar na afloop van het jaar waarop de aanslag betrekking heeft. De rechtbank constateert dat de envelop een poststempel heeft van 31 december 2019 en gaat er daarom vanuit dat het verzoek op 31 december 2019 is bezorgd. De inspecteur heeft het verzoek echter pas op 2 januari 2020 ontvangen.

Ontvangsttheorie niet van toepassing De erfgenamen stellen dat het verzoek tijdig is ingediend, omdat het voor afloop van de vijfjaarstermijn is verzonden en binnen een week na afloop van die termijn is ontvangen. De rechtbank overweegt echter dat de regel dat een verzoek tijdig is gedaan als het na afloop van de vijfjaarstermijn maar binnen een week na afloop van die termijn is ontvangen, niet geldt. Die regel geldt alleen voor bezwaar- en beroepschriften.

Vergoeding immateriële schade Wel hebben de erfgenamen recht op € 2.000 als vergoeding voor immateriële schade. De inspecteur heeft het bezwaarschrift op 7 juni 2020 ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 9 mei 2024. Daarmee is de redelijke termijn met 24 maanden overschreden.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 09-05-2024 (gepubl. 17-05-2024).

Schadevergoeding wegens concurrentie na verkoop is belast

Moet de verkoper van een deelneming naderhand de koper een schadevergoeding betalen vanwege concurrerend gedrag? Dan valt deze schadevergoeding niet onder de deelnemingsvrijstelling.

Een bv koopt in juni 2017 de helft van de aandelen in een vennootschap waarvan zij al 50% van de aandelen in handen heeft. De overeengekomen verkoopprijs bedraagt € 302.370. De partijen hebben in de verkoopovereenkomst bewust afgezien van de mogelijkheid tot het opnemen van een concurrentie- en of relatiebeding. De enige bestuurder van het lichaam dat de aandelen verkoopt, verbindt zich eind 2017 om activiteiten voor een nieuwe vennootschap te verrichten. Het gaat daarbij om dezelfde soort activiteiten die hij daarvoor heeft verricht voor de oude vennootschap. Bovendien bevindt de nieuwe vennootschap zich in de omgeving van de oude vennootschap. De bv stelt dat zij door het handelen van de bestuurder van de verkoper schade heeft geleden. Uiteindelijk scheldt de verkoper bij wijze van schadevergoeding de bv het deel van de koopsom kwijt dat zij nog moet betalen. Het gaat hierbij om een bedrag van € 181.186.

Schadevergoeding houdt onvoldoende verband met verkoop De bv meent dat het bedrag van € 181.186 een voordeel is dat onder de deelnemingsvrijstelling valt. De Belastingdienst is het daar niet mee eens, zodat de bv in beroep gaat. Maar ook Rechtbank Zeeland-West-Brabant weigert de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op dit bedrag. De schadevergoeding is namelijk opgekomen nadat de verkoopovereenkomst is gesloten en de verkoop daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Hoewel niet vaststaat dat sprake is van wanprestatie, is wel duidelijk dat de schadevergoeding verband houdt met het gedrag van de bestuurder van de verkoper na die verkoop. De verkoper had zonder de verkoop de schadevergoeding niet hoeven te betalen. Toch is de schadevergoeding voor de verkoper geen kostenpost in verband met de verkoop van de deelneming zelf. De schadevergoeding houdt daarom te weinig verband met de verkoop van de deelneming, aldus de rechtbank.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 10-05-2024 (gepubl. 16-05-2024).

Lage proceskostenvergoeding als succes is verzekerd

Laat de inspecteur vóór de zitting bij de belastingrechter al weten dat hij de bestreden aanslag zal verminderen? Dan zal de beroepsprocedure voor de gemachtigde relatief eenvoudig zijn en zal de proceskostenvergoeding lager uitvallen.

Een vrouw gaat in beroep tegen de afwijzing van haar bezwaarschrift tegen een aanslag IB/PVV 2016. Een van haar klachten is dat de inspecteur haar niet heeft gehoord. Nog voordat de zitting voor de rechtbank plaatsvindt, erkent de inspecteur dat hij de vrouw had moeten aanhoren. Hij verzoekt de rechtbank om het beroep van de vrouw gegrond te verklaren en de zaak naar hem terug te verwijzen. Hoewel de Belastingdienst aan haar klacht tegemoet komt, trekt de vrouw haar beroep niet in. Zij wijst erop dat haar beroepschrift meer klachten bevat. Maar de rechtbank stelt dat de inspecteur deze klachten na de terugverwijzing kan afhandelen. De rechtbank oordeelt dat de zitting achterwege had kunnen blijven. De gemachtigde van de vrouw had dat moeten weten. Daarom krijgt de vrouw geen proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting toegewezen. Daarop gaat de vrouw in hoger beroep en vordert een hogere proceskostenvergoeding.

Verminderingsbeschikking pas ter zitting overlegd Het hof constateert dat de inspecteur pas op de zitting van de rechtbank heeft toegezegd de aanslag te verminderen conform de aangifte. Toen pas is ook de verminderingsbeschikking overlegd. Daarom heeft de vrouw wel recht op een proceskostenvergoeding voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij het hof zelf. Het hof kent aan de zittingen bij de rechtbank en het hof zelf een gewicht toe van licht respectievelijk zeer licht. De gemachtigde van de vrouw wist immers ten tijde van de zitting bij de rechtbank al dat het beroep gegrond zou zijn en dat de fiscus de aanslag zou verminderen conform de aangifte. De werkbelasting voor de gemachtigde is daarom (zeer) beperkt geweest.

Bron: Hof Amsterdam 23-04-2024 (gepubl. 15-05-2024).

Geen winstuitdeling door gebrek aan bevoordelingsoogmerk

Voor het bestaan van een verkapte winstuitdeling moet niet alleen sprake zijn van een bevoordeling van een dga, de partijen moeten dit ook hebben gewild.

In februari 2016 verkoopt een dga zijn woning aan zijn bv voor een € 513.000. In de verkoopovereenkomst staat vermeld dat de woning in een gebrekkige staat van onderhoud verkeert. Bovendien is de woning tijdelijk onder bestuursdwang gesloten. Wanneer de bv een koper zoekt voor de woning, laat de ex-echtgenote van de dga weten interesse te hebben. Zij laat de woning keuren. Uit de keuring blijkt dat in de woning asbest aanwezig is. Volgens de taxateur die de bv inschakelt zullen de kosten voor asbestverwijdering en achterstallig onderhoud € 25.000 respectievelijk € 32.000 bedragen. De waarde van de woning zelf schat de taxateur op € 372.000. Op 6 november 2016 komen de bv en de ex-echtgenote van de dga een verkoopprijs van € 325.000 overeen.

Woning tegen te hoge waarde aan bv verkocht In 2019 laat de Belastingdienst de taxatie in 2016 beoordelen. De taxateur van de Belastingdienst is het in grote lijnen eens met de taxateur van de bv. Volgens de taxateur van de fiscus bedraagt de waarde € 375.000. De inspecteur meent dat de bv bij de aankoop van de woning de dga heeft bevoordeeld voor 99% (het aandelenbelang van de dga in de bv) x (€ 513.000 -/- € 375.000) = € 136.620. Deze bevoordeling is een verkapte winstuitdeling, aldus de fiscus. De dga bestrijdt dit standpunt in een beroepsprocedure voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Daarbij stelt hij eerst dat de bv de woning niet tegen een te hoge prijs heeft gekocht. De rechtbank vindt echter niet aannemelijk dat de woning binnen een jaar in waarde is gedaald van € 513.000 naar € 372.000.

Verkoopprijs was gebaseerd op WOZ-waarde Maar vervolgens stelt de dga zich niet bewust te zijn geweest van een eventuele bevoordeling. Deze stelling motiveert hij als volgt. De WOZ-waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2014, die is vastgesteld in 2015 was het uitgangspunt voor de koopprijs voor de bv. Deze WOZ-waarde bedroeg € 492.000. De WOZ-waarde vertegenwoordig de waarde in het economische verkeer van een onroerende zaak. De dga heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze WOZ-waarde. Bovendien zijn WOZ-waarden in het algemeen eerder te laag dan te hoog, aldus de bv. Met deze motivering overtuigt de dga de rechtbank ervan dat een bevoordelingsoogmerk ontbrak. De rechtbank vernietigt de opgelegde navorderingsaanslag.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 06-05-2024 (gepubl. 14-05-2024).

Haal bij toets voor rechtsherstel niet de krenten uit de pap

Rechtbank Zeeland-West-Brabant benadrukt dat bij de toets of iemand recht heeft op rechtsherstel men het forfaitaire rendement moet vergelijken met alle werkelijke rendementen. De toets blijft dus niet beperkt tot laag renderende beleggingen.

De totale waarde van de bezittingen in box 3 van twee fiscale partners bedraagt in 2021 € 462.166. Daarvan is € 100.778 toe te rekenen aan banktegoeden, € 22.368 aan effecten, € 268.233 aan verpachte landbouwgronden en € 70.787 aan uitgeleend geld. De fiscale partners menen recht te hebben op rechtsherstel. Zij stellen dat het werkelijk rendement op de verpachte landbouwgronden en het uitgeleende geld lager is dan het wettelijk forfaitaire rendement. Maar in de beroepsprocedure wijst de rechtbank erop dat de fiscale partners niet de krenten uit de pap mogen halen. Dat wil zeggen dat zij de vergelijking van het werkelijk rendement met het forfaitair rendement niet mogen beperken tot bepaalde vermogensbestanddelen. Bij deze toets moet men het totaal van de werkelijke rendementen op alle vermogensbestanddelen in box 3 vergelijken men het totale forfaitaire rendement.

Totaal werkelijk rendement overtreft forfaitair rendement In dit geval betwist de inspecteur gemotiveerd dat het werkelijk rendement op de verpachte landbouwgronden en de schuldvorderingen zo laag is als de fiscale partners beweren. Bovendien overtreft het werkelijk rendement op de banktegoeden en de effecten de forfaitaire rendementen. De rechtbank stelt vast dat het werkelijk rendement over alle box 3-vermogensbestanddelen hoger is dan het totale forfaitaire rendement. Daarom komen de fiscale partners niet in aanmerking voor rechtsherstel.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 30-04-2024 (gepubl. 06-05-2024).

Vrijgestelde levering perceel met aandeel in mandelige weg

Een perceel met een aandeel in een mandelige weg is voor de btw geen bouwterrein als een splitsing tussen het perceel en de weg kunstmatig zou zijn.

Een bv die zich bezighoudt met de aan- en verkoop van vastgoed, heeft zes percelen verkocht. Omdat de bv meent dat de leveringen van deze percelen zijn vrijgesteld van btw, heeft zij geen btw gefactureerd. Maar de inspecteur meent dat de percelen kwalificeren als bouwterreinen. De levering van een bouwterrein is wel belast met btw. Daarom legt de Belastingdienst de bv een naheffingsaanslag omzetbelasting op. De bv gaat daartegen met gedeeltelijk succes in beroep. Rechtbank Gelderland oordeelt dat de leveringen van twee percelen btw-vrijgesteld zijn en een perceel sowieso btw-belast is. De leveringen van de overige drie percelen zijn in beginsel belast met btw, maar voor zover de koopsom ziet op een stuk van een mandelige weg is zij btw-vrijgesteld. Daarom verlaagt de rechtbank de naheffingsaanslag. De bv probeert vervolgens in hoger beroep bij Hof Arnhem-Leeuwarden om de naheffingsaanslag verder verminderd of zelfs vernietigd te krijgen.

Levering van percelen met slechts restanten of sloopverplichting Het hof beoordeelt alle zes de percelen. Op een van de percelen staan op het moment van levering alleen nog de fundamenten en een gedeelte van een muur van een voorheen aanwezige schuur. Op een ander perceel bevinden zich alleen een klein deel van de fundamenten van een gierkelder. Zulke restanten tellen niet als gebouwen, zodat deze twee percelen kwalificeren als bouwterreinen. Bij de verkoop van een ander perceel heeft de bv zich verplicht resterende verbouwing voor eigen rekening en risico te (laten) slopen. Ook dan is sprake van een bouwterrein.

Percelen met aandeel in mandelige weg Met betrekking tot drie percelen met aandelen in een mandelige weg oordeelt het hof dat vanuit economisch oogpunt zij één geheel vormen met de aandelen in de mandelige weg die toerekenbaar zijn aan die percelen. De percelen zijn namelijk niet goed te gebruiken zonder ook de mandelige weg te gebruiken. Het zou daarom kunstmatig zijn de mandelige weg als zelfstandig bruikbaar aan te merken zonder daarbij de percelen waartoe die weg leidt in aanmerking te nemen. Het hof oordeelt daarom dat de levering van elk van deze drie percelen de levering van één onroerende zaak vormt, die geen bouwterrein is. Dat betekent dat deze leveringen zijn vrijgesteld van omzetbelasting. Het uiteindelijke effect is dat het hof de naheffingsaanslag vermindert met € 103.514.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 30-04-2024 (gepubl. 10-05-2024).