Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Aandeel VvE-reserve waarderen op forfait bank- en spaartegoeden

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor de berekening rechtsherstel box 3 het aandeel in VvE-reserves moet worden gewaardeerd als bank- en spaartegoed. Verder oordeelt het hof dat voor de leegwaarderatio van de kale huur moet worden uitgegaan.

Een echtpaar bezit diverse woningen die in box 3 vallen. Daarnaast hebben zij een eigen woning. Voor de eigen woning en enkele woningen die in box 3 vallen hebben ze een aandeel in VvE-reserves. In 2018 is de WOZ-waarde van een woning € 194.000. Voor de verhuur van die woning ontvangt het echtpaar € 790 per maand, bestaande uit € 650 kale huur en € 140 voor bijkomende diensten. Voor een andere woning bedragen de ontvangen huur en de vergoeding voor bijkomende diensten per maand € 825. De WOZ-waarde bedraagt € 199.000. Het echtpaar is voor 90% eigenaar van deze woning. In geschil bij Hof Arnhem-Leeuwarden is de bepaling van de leegwaarderatio voor de twee woningen. Ook is in geschil de waardering van de VvE-reserves in het kader van het rechtsherstel box 3.
Het hof oordeelt dat de ontvangen maandelijkse kale huur uitgangspunt voor het bepalen van de leegwaarderatio is. Volgens het hof moet de eerste woning met WOZ-waarde € 194.000 voor box 3, uitgaande van een kale huur van € 7.800 per jaar, gewaardeerd worden op € 129.980. Dit is 67% van € 194.000. Voor de tweede woning gaan partijen voor het bepalen van de leegwaarderatio uit van een waarde van € 161.100. 67% hiervan is € 107.937. Uitgangspunt hiervoor is een jaarlijkse kale huur van € 7.980.
Verder is het hof van oordeel dat onvoldoende rechtsherstel wordt geboden als het fictieve rendement op het aandeel in VvE-reserves 5,38% (2018) bedraagt. Het hof bepaalt daarom dat voor de waardering van het aandeel in de VvE-reserve het forfaitair rendement van 0,12% geldt. Dat is het forfaitaire rendement voor bank- en spaarsaldi in 2018.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 10-01-2023 (gepubl. 20-01-2023)

Technische briefing Wet minimumbelasting 2024

De vaste commissie voor Financiën heeft Staatssecretaris Van Rij verzocht de technische briefing over het wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024 in de openbaarheid te laten plaatsvinden. De staatssecretaris geeft aan dat dit mogelijk is, maar niet op de geplande datum van 24 januari 2023.

Toen de staatssecretaris de Tweede Kamer de technische briefing aanbood over het concept wetsvoorstel Wet minimumbelasting 2024, was er op EU-niveau nog geen akkoord bereikt over het richtlijnvoorstel pijler 2. Dat akkoord is op 15 december 2022 bereikt.
De staatssecretaris geeft aan dat vanwege het akkoord op EU-niveau hij voornemens is om het wetsvoorstel voor de implementatie van de richtlijn (Wet minimumbelasting 2024) in het voorjaar 2023 aan te bieden aan de Kamer. De staatssecretaris stelt daarom voor om de openbare technische briefing na indiening van het wetsvoorstel te houden. Een openbare technische briefing biedt de mogelijkheid om aandacht te besteden aan de uitkomsten van relevante werkzaamheden met betrekking tot Pijler 2 op OESO-niveau, de uitvoeringstoets, het advies van de Raad van State en de door het Centraal Planbureau gecertificeerde raming.

Bron: MvF 19-01-2023

Door opschortende voorwaarde maar 50% hypotheekrenteaftrek

Het opnemen van een ontbindende in plaats van een opschortende voorwaarde in het echtscheidingsconvenant kan het verschil maken tussen wel of geen hypotheekrenteaftrek.

Nadat een echtpaar is gescheiden, blijft de vrouw in de echtelijke woning in België wonen. Het echtscheidingsconvenant bevat een nihilbeding. Dat betekent dat de ex-echtgenoten van elkaar geen partneralimentatie vorderen. Verder bepaalt het convenant dat de woning en de hypotheekschuld toekomen aan de vrouw. Dit gebeurt onder de opschortende voorwaarde dat de bank de man ontslaat van zijn hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschuld. Deze gebeurtenis vindt plaats in september 2018. Maar de vrouw betaalt in 2016 al de volledige hypotheekrente. Wanneer zij als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige het hele rentebedrag wil aftrekken, accepteert de Belastingdienst echter maar de helft van de aftrek.
Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is dat terecht. De vrouw stelt dat het aandeel van haar ex-echtgenoot in de economische eigendom van de woning al vóór 2016 onder ontbindende voorwaarde aan haar is overgedragen. Maar het echtscheidingsconvenant noemt duidelijk het ontslaan van de hoofdelijke verplichting van de man als een opschortende voorwaarde. De overdracht vindt daardoor pas plaats als is voldaan aan deze voorwaarde. De rechtbank vindt het niet aannemelijk dat de ex-echtgenoten eigenlijk iets anders hebben bedoeld. De vrouw kan evenmin de ene helft van de hypotheekrente aftrekken als partneralimentatie. Op grond van het nihilbeding in het echtscheidingsconvenant hoeft zij immers de rente van de man niet te betalen.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 05-01-2023 (gepubl. 17-01-2023)

Terug te geven starterskrediet: geen persoonsgebonden aftrek

Moet een IB-ondernemer een starterskrediet terugbetalen aan het UWV? Zo’n terugbetalingsverplichting is niet op te voeren als een (restant) persoonsgebonden aftrekpost.

In 2011 heeft een man van het UWV een starterskrediet van € 20.000 ontvangen. Per 1 januari 2014 heeft hij de onderneming waarvoor hij het starterskrediet heeft ontvangen gestaakt. Daarom moet de man het starterskrediet terugbetalen aan het UWV. Op 17 januari 2019 laat het UWV de man weten dat er op dat moment nog een bedrag van € 14.636,17 openstaat. De man meent dat hij daarom in zijn aangifte 2018 een bedrag van € 14.636 mag opgeven als restant persoonsgebonden aftrek of als negatief loon. Hoewel de inspecteur bij het opleggen van de voorlopige aanslag de aangifte van de man volgt, weigert hij later de aftrek van de € 14.636.
Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de Belastingdienst terecht de aftrek van het bedrag als restant persoonsgebonden aftrek of negatief loon geweigerd. De wet bevat een limitatieve opsomming van uitgaven die kunnen kwalificeren als persoonsgebonden aftrekposten. Daartoe behoren geen terugbetalingsverplichtingen van gelden die zijn ontvangen met betrekking tot een krediet. De man heeft volgens de rechtbank evenmin recht op een aftrek vanwege negatief loon. Hij maakt namelijk niet aannemelijk dat de fiscus de gelden in verband met het starterskrediet in een eerder jaar tot zijn belastbaar inkomen heeft gerekend.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 21-12-2022 (gepubl. 16-01-2023)

Inspecteur kan toch navorderen bij HT-convenant

Ondernemers die het convenant horizontaal toezicht met de Belastingdienst hebben gesloten mogen er niet op vertrouwen dat de Belastingdienst de ingediende aangifte zonder correcties oplegt. Verder oordeelt de Hoge Raad dat de oordelen van Hof Arnhem-Leeuwarden over de onttrekking en vergrijpboete niet cassatieproof zijn.

Een dga heeft een 100%-belang in een bv die hem bedragen als lening heeft verstrekt, oplopend tot circa € 800.000 in 2010. De aangifte IB/PVV 2010 is ingediend onder horizontaal toezicht. De primitieve aanslag is conform de aangifte opgelegd. Nadien heeft de inspecteur het totaalbedrag nagevorderd als winstuitdeling aan de dga in 2010 met een vergrijpboete van 50%. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de navorderingsaanslag gehandhaafd maar de boete beperkt tot 25% wegens grove schuld.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft verworpen. De enkele omstandigheid dat een aanslag is vastgesteld conform de aangifte die is ingediend onder ‘horizontaal toezicht’ is, anders dan de dga betoogt, niet voldoende voor het achterwege laten van navordering op basis van het vertrouwensbeginsel. Ook de ‘Leidraad Horizontaal Toezicht MKB, Fiscaal dienstverleners’ en de bijlage ‘Standaard fiscaaldienstverlenersconvenant’ bieden daarvoor geen steun.
De oordelen van het hof inzake de ‘onttrekking en winstuitdeling’ en de vergrijpboete zijn echter niet cassatieproof. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de regels voor onttrekking niet goed heeft toegepast. Het hof heeft ten onrechte geen onderscheid aangebracht tussen (a) onttrekkingen die plaatsvinden op het moment waarop een vennootschap geldmiddelen ten titel van lening aan haar aandeelhouder verstrekt, en (b) onttrekkingen die pas later plaatsvinden doordat een vennootschap de rechten die haar op grond van een overeenkomst van geldlening als schuldeiser toekomen, naderhand vrijwillig prijsgeeft. Voor zover het hof het oog heeft gehad op de onder (b) bedoelde onttrekkingen, had het hof moeten vaststellen en moeten motiveren dat en tot welk bedrag de bv rechten die haar als schuldeiser toekomen, in 2010 vrijwillig heeft prijsgegeven. Dat ontbreekt echter. Evenmin volgt uit de hofuitspraak dat sprake is geweest van ‘dubbele bewustheid’.
Met betrekking tot de vergrijpboete is het oordeel van het hof, dat de dga informatie over de geldverstrekkingen klaarblijkelijk niet heeft verstrekt aan de toenmalige gemachtigde, niet cassatieproof omdat de dga bij het hof onweersproken heeft gesteld dat hij aan die gemachtigde de toename van de post ‘rekening-courant directie’ doorgaf. Verwijzing moet volgen voor een hernieuwd onderzoek naar de vragen of, en zo ja, tot welk bedrag van de geldverstrekkingen in 2010 een winstuitdeling aan de dga heeft plaatsgehad. Indien een winstuitdeling heeft plaatsgevonden, zal het verwijzingshof opnieuw moeten beoordelen of het aan grove schuld van de dga is te wijten dat te weinig belasting is geheven ter zake van die winstuitdeling.

Bron: Hoge Raad 13-01-2023

Stilzitten dga leidt niet tot fictieve afkoop PEB

Hof Den Bosch is van oordeel dat een pensioen in eigen beheer niet fictief is afgekocht als dit pensioen niet tijdig is ingegaan. Voor het prijsgeven van pensioenaanspraken is het enkele stilzitten van de dga onvoldoende.

Een dga woont sinds 1992 in België. Hij heeft een pensioen in eigen beheer (PEB) bij zijn Nederlandse vennootschap opgebouwd. In 2016 is de dga 70 jaar geworden. In 2014 en 2015 is conservatoir beslag gelegd bij de vennootschap voor alle bestaande en toekomstige vorderingen van de dga op de vennootschap. In 2016 heeft de Nederlandse vennootschap geen pensioenuitkeringen aan de dga gedaan. De inspecteur is daarom van mening dat de pensioenregeling onzuiver is. De inspecteur belast de gehele aanspraak als loon uit vroegere dienstbetrekking. In hoger beroep bij Hof Den Bosch is in geschil of de pensioenregeling onzuiver is geworden in 2016. Daarnaast is ook in geschil of Nederland het heffingsrecht heeft over het afgekochte pensioen.
Volgens het hof staat vast dat de dga het pensioen niet heeft prijsgegeven. Het enkele stilzitten van de dga is daarvoor onvoldoende. Uitkeringen hoeven niet daadwerkelijk te hebben plaatsgevonden. Uitkeringen kunnen namelijk ook schuldig zijn gebleven. Het hof leidt uit de stukken af dat door het conservatoire beslag geen uitkeringen zijn gedaan. De dga heeft wel de bedoeling gehad om het pensioen in te laten gaan.
De dga is van mening dat de uitkeringen oninbaar waren. Het hof vindt dat het te weinig informatie heeft gekregen om dat te kunnen beoordelen. Er kunnen stille reserves zitten in activa. Ook het faillissement in 2020 van de vennootschap is voor 2016 niet van belang, omdat toen dat faillissement niet voorzienbaar was.
Het hof is het ook niet eens met de stelling dat België het exclusieve heffingsrecht heeft over het afgekochte pensioen. Volgens art. 18 van het Belastingverdrag tussen Nederland en België heeft Nederland ook heffingsrecht. Hiervoor moet cumulatief aan drie voorwaarden zijn voldaan. Dat is volgens het hof ook het geval. In 2016 heeft in België geen progressieve heffing plaatsgevonden over de pensioenuitkeringen. De uitkering in 2016 is € 94.008 en dat is meer dan € 25.000. De pensioenaanspraak zelf is ook nooit tot het loon gerekend.

Bron: Hof Den Bosch 20-12-2022 (gepubl. 10-01-2023)

Inspecteur belast vertrekvergoeding in verkeerde jaar

Rechtbank Gelderland oordeelt dat het genietingsmoment van een vertrekvergoeding voor de werknemer het moment is waarop hij deze heeft ontvangen. De civiele rechtsverhouding is bepalend voor het fiscale genietingsmoment.

Een man is met zijn ex-werkgever overeengekomen dat hij van zijn ex-werkgever een vergoeding krijgt. Daarbij komen partijen overeen dat de werkgever de vergoeding uitbetaalt in januari 2020. De ex-werkgever verwerkt de uitbetaling van de vergoeding in de loonaangifte van het tijdvak december 2019. In beroep bij Rechtbank Gelderland is in geschil in welk jaar het fiscale genietingsmoment van de vertrekvergoeding is, 2019 of 2020.
De inspecteur is van mening dat de vertrekvergoeding terecht in de aanslag IB/PVV 2019 is betrokken. De vertrekvergoeding is in de loonaangifte van december 2019 verwerkt en daarmee op dat moment aan de man ter beschikking gesteld.
De rechtbank is van oordeel dat het fiscale genietingsmoment van de vertrekvergoeding het moment is waarop de man deze heeft ontvangen, dat is 13 januari 2020. Een inkomst is namelijk vorderbaar als een recht op directe betaling bestaat. Daarbij moet het bedrag kunnen worden opgevorderd en moet het inbaar zijn als de schuldeiser daarom verzoekt. Vanwege de afspraak tussen de ex-werkgever en de man kon laatstgenoemde bij zijn ex-werkgever de betaling niet in 2019 afdwingen. Het fiscale genietingsmoment wordt bepaald door de civiele rechtsverhouding tussen de man en zijn ex-werkgever. De manier waarop de ex-werkgever de vertrekvergoeding heeft verwerkt in zijn loonadministratie is van belang voor de fiscale rechtsverhouding tussen de oud-werkgever en de Belastingdienst. De rechtbank vermindert de aanslag IB/PVV met het bedrag van de vertrekvergoeding.

Bron: Rb. Gelderland 29-11-2022 (gepubl. 04-01-2023)

Besparing van omzetbelasting geen misbruik van recht

Neemt een dga een auto van de bv voor een te lage waarde over? Dan is sprake van een verkapte winstuitdeling. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat die verkapte winstuitdeling niet tot de maatstaf van heffing voor de omzetbelasting behoort.

In 2015 heeft een bv een Volvo aangeschaft voor € 93.400 (inclusief btw). De dga gebruikt de auto voor privédoeleinden en zakelijke doeleinden. Na vijf jaar verkoopt de bv de auto aan haar dga. Daarbij is een vergoeding overeengekomen van € 2.066 (exclusief btw en rest bpm) en € 2.624 (inclusief btw en rest-bpm). Bij het indienen van de aangifte omzetbelasting heeft de bv als vergoeding aangegeven € 24.484 (exclusief btw en rest-bpm) en € 29.750 (inclusief btw en rest-bpm). Dit betreft de taxatiewaarde. De bv maakt bezwaar tegen de eigen aangifte omzetbelasting en wil als vergoeding € 2.066 hanteren, maar de inspecteur wijst dat af. Bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant is in geschil of sprake is van een levering onder bezwarende titel, misbruik van recht en of de verkapte dividenduitkering tot de vergoeding behoort voor de omzetbelasting.
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een levering onder bezwarende titel. Er bestaat namelijk een rechtstreeks verband tussen de levering van de auto en de ontvangen tegenprestatie. De dga betaalt de vergoeding uitsluitend voor levering van de Volvo.
Volgens de rechtbank is er geen sprake van misbruik van recht. Het betreft hier geen samenstel van transacties met een kunstmatig karakter, maar een koop- en verkoopovereenkomst tussen een bv en haar dga. De bv draagt daarbij de Volvo rechtstreeks over tegen de vooraf overeengekomen vergoeding. De besparing van omzetbelasting door de lage vergoeding is onvoldoende om te concluderen tot misbruik van recht. In de Nederlandse wetgeving ontbreekt een bepaling die de vergoeding in gelieerde verhoudingen corrigeert naar de normale waarde.
De verkapte dividenduitkering behoort niet tot de vergoeding voor de omzetbelasting. Uit rechtspraak van het EU HvJ volgt namelijk dat er bij dividend geen rechtstreeks verband bestaat tussen de prestatie en het dividend wat nodig is om dividend als tegenprestatie aan te merken. De rechtbank verklaart het beroep van de bv gegrond.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 20-12-2022 (gepubl. 09-01-2023)

Subsidie Elektrische Personenauto Particulieren weer open

Particulieren die een nieuwe of gebruikte elektrische personenauto willen aanschaffen, kunnen vanaf vandaag weer subsidie daarvoor aanvragen.

Als men voldoet aan de voorwaarden kan men voor de aanschaf of private lease van een nieuwe elektrische auto € 2.950 subsidie aanvragen. Voor een gebruikte auto is de subsidie € 2.000.
Op de Autolijst SEPP (https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/sepp/autolijst) staan merken en modellen elektrische personenauto’s die mogelijk in aanmerking komen voor de subsidie. De lijst is samengesteld met informatie van importeurs en dealers. RVO controleert onder andere de geregistreerde catalogusprijs van de auto via het kentekenregister van de RDW. Zo bepaald RVO of de auto voldoet aan de voorwaarden van de subsidieregeling.

Om in aanmerking te komen voor de subsidie gelden de volgende voorwaarden:

Men is een particulier.

Men heeft een geldig woonadres in Nederland.

In de looptijd van SEPP kan men één keer subsidie krijgen als aan de voorwaarden wordt voldaan.

Ten aanzien van de koopovereenkomst gelden de volgende voorwaarden:

Men heeft een schriftelijke koopovereenkomst van de aankoop van de elektrische personenauto. Het autobedrijf waar de auto is gekocht, heeft de RDW-erkenning ‘Bedrijfsvoorraad’.

De koopovereenkomst staat op naam van de subsidieaanvrager.

De koopovereenkomst is gesloten op of na 1 januari 2023.

De voorwaarden ten aanzien van de auto zijn:

Het gaat om een nieuwe elektrische auto of, in geval van een gebruikte auto, de auto is als elektrische personenauto geproduceerd. Hij mag niet zijn omgebouwd tot elektrische auto.

De elektrische personenauto staat op of na 1 januari 2023 op naam van de subsidieaanvrager in het kentekenregister. Hij stond eerder ook niet op naam van een persoon met hetzelfde woonadres.

De 100% elektrische personenauto heeft een actieradius van minimaal 120 kilometer (WLTP gemeten).

De oorspronkelijke nieuwprijs (catalogusprijs) van de elektrische personenauto was op de datum van 1e toelating minimaal € 12.000 en maximaal € 45.000. Deze prijs is inclusief btw, bpm en opties die de fabrikant of importeur aanbracht voor het kenteken is afgegeven. Controleer de catalogusprijs van de gebruikte auto via de RDW-kentekencheck op de site van RDW.

Zodra de auto is geleverd, zet de subsidieaanvrager die op naam in het kentekenregister. De auto hoeft nog niet geleverd te zijn als men subsidie aanvraagt.

De gekochte gebruikte elektrische personenauto staat minimaal drie jaar op naam. Dit is gerekend vanaf de datum waarop de auto op naam kwam in het kentekenregister. We controleren regelmatig bij de RDW of de elektrische auto nog op naam staat in het kentekenregister. Verkoopt men de auto eerder dan de afgesproken drie jaar? Dan moet men dit melden bij RVO en betaalt men (mogelijk) een deel van de subsidie terug.

Bron: RVO 10-01-2023, SEPP nieuwe elektrische auto en SEPP gebruikte elektrische auto

Ondanks drang toekenning legaat erfbelasting verschuldigd

Voelt iemand zich gedrongen om een ander, die anders dan als werknemer werkzaamheden voor hem heeft verricht, een legaat toe te kennen? Zelfs dan is de legataris gewoon erfbelasting verschuldigd.

Een alleenstaande man heeft een legaat toegekend aan een vrouw die gedurende ongeveer vijftien jaar een groot aantal huishoudelijke werkzaamheden voor hem heeft verricht. Afgezien van een klein geldbedrag om wasmiddelen te kopen, heeft zij geen vergoeding ontvangen voor haar werkzaamheden. De vrouw stelt dat het legaat valt onder de zogeheten werknemersvrijstelling. In dat geval is het vrijgesteld van erfbelasting. Omdat een arbeidsovereenkomst ontbreekt, slaagt haar beroep op de werknemersvrijstelling niet. Maar de vrouw probeert het nog eens in hoger beroep. Nu neemt zij als standpunt in dat de verkrijging niet krachtens erfrecht heeft plaatsgevonden, maar op grond van een natuurlijke verbintenis. Volgens haar zou de erflater zich gedrongen hebben gevoeld om haar een legaat toe te kennen. Daarmee heeft hij voldaan aan een natuurlijke verbintenis, aldus de vrouw.
Hof Den Haag stelt echter vast dat het legaat is opgenomen in het testament van de erflater. Het toegekende vorderingsrecht is zes maanden na het overlijden opeisbaar. Dat vorderingsrecht is dus ontstaan met het overlijden van de erflater. Zo lang de man leefde, heeft de vrouw geen aanspraak kunnen maken op het legaat. Daarom kan geen sprake zijn van een schenking, laat staan een vrijgestelde schenking onder de levenden. De Belastingdienst heeft het legaat terecht aangemerkt als erfrechtelijke verkrijging en in de heffing van erfbelasting betrokken.

Bron: Gerechtshof Den Haag 15-12-2022 (gepubl. 29-12-2022)