Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Steunmaatregelen worden per 1 oktober ingetrokken

Het kabinet heeft bekend gemaakt per 1 oktober 2021 te stoppen met de generieke coronasteunmaatregelen. Dit betekent dat de regelingen NOW, TVL, Tozo, TONK en diverse fiscale maatregelen vanaf die datum niet worden verlengd.

Het Centraal Planbureau gaat uit van een groei van 3,8% in 2021 en 3,2% in 2022. Dit herstel wordt verstoord als wordt doorgegaan met de generieke maatregelen uit het steunpakket. Het oplopend tekort op de arbeidsmarkt is hiervoor een aanwijzing. Een aantal specifieke ondersteunende maatregelen blijft van kracht in het vierde kwartaal. Net als de aanvullende maatregelen gericht op omscholing en aanpassingsvermogen van de economie. Het kabinet is bezig met een regeling voor de nachthoreca die naar verwachting ook na 1 oktober nog verplicht gesloten is.
Belastingen De mogelijkheid om uitstel van belastingbetaling aan te vragen stopt op 1 oktober, zoals eerder aangekondigd. Sinds het begin van de crisis hebben 369.000 ondernemers gebruikgemaakt van de mogelijkheid van belastinguitstel, voor een bedrag van € 40,4 miljard. Een groot deel van de belastingschuld is inmiddels weer afgelost (€ 16,6 miljard) of verminderd als bijvoorbeeld de belastingaanslag niet goed is vastgesteld (€ 4,6 miljard). Per saldo staat op dit moment € 19,2 miljard aan belastingschuld open en hier maken 270.000 ondernemers gebruik van. Van ondernemers wordt verwacht dat zij vanaf 1 oktober 2021 weer gewoon belasting gaan betalen. De datum waarop ondernemers weer gaan terugbetalen, schoof eerder al op naar 1 oktober 2022 en hier is vijf jaar de tijd voor. Dit geldt voor alle schulden van ondernemers die wegens de coronacrisis uitstel van betaling hebben gekregen, dus ook de schulden waar de ondernemer geen verlenging voor heeft aangevraagd.
Een aantal andere belastingmaatregelen die wegens de coronacrisis genomen is, loopt door tot 1 januari 2022, zoals de onbelaste reiskostenvergoeding en de betaalpauze voor hypotheken. Daarnaast voert Nederland overleg met Duitsland en België om de afspraken over de belastingheffing van grenswerkers ook tot 1 januari 2022 voort te zetten.
Garantieregelingen De corona-financieringsregelingen KKC, Qredits overbruggingskrediet, BMKB-C en GO-C blijven het gehele jaar van kracht om marktfinanciering te blijven faciliteren. Bedrijven die behoefte hebben aan liquiditeit, kunnen hierbij terecht. Ook het Garantiefonds Evenementen loopt door in het vierde kwartaal.
Nachtclubs en disco’s Het kabinet is bezig met een gerichte compensatieregeling voor nachtclubs en disco’s als deze ook na 1 oktober niet open kunnen. Deze bedrijven zitten in een uitzonderlijke situatie omdat het de enige sector is die nog op last van de overheid volledig gesloten is. De uitvoering van zo’n gerichte regeling is zeer complex en vraagt veel van de uitvoeringsorganisaties. Daarom wordt scherp gekeken naar wat uitvoeringstechnisch en juridisch mogelijk is.
Beëindiging Tozo Ondernemers die financiële ondersteuning nodig hebben, kunnen vanaf 1 oktober weer een beroep doen op de reguliere bijstand voor zelfstandigen (het Bbz). Om dit voor gemeenten uitvoerbaar te houden, heeft het kabinet besloten de uitvoering van de regeling tot eind dit jaar te vereenvoudigen. Dit betekent dat gemeenten geen vermogenstoets hoeven uit te voeren, dat ondernemers met terugwerkende kracht van maximaal twee maanden een Bbz-uitkering kunnen aanvragen en dat de gemeente het inkomen en de hoogte van de Bbz-uitkering per kalendermaand (in plaats van per boekjaar) vaststelt. Vanaf 1 januari 2022 voeren gemeenten het Bbz weer zonder wijzigingen uit.
Terugkeer Werktijdverkorting De Werktijdverkorting (WTV) is vanwege de invoering van de NOW buiten werking gesteld. Na het stoppen van de NOW keert per 1 oktober de Werktijdverkorting (WTV) weer terug. Deze biedt ondersteuning aan werkgevers die worden getroffen door een buitengewone omstandigheid die niet tot het ondernemersrisico behoort. De geherintroduceerde WTV is nadrukkelijk niet bedoeld voor Corona-gerelateerde omstandigheden, het gaat om kortdurende buitengewone omstandigheden.
Aanvullend sociaal pakket Het kabinet heeft met een aanvullend sociaal pakket extra middelen vrijgemaakt om mensen die als gevolg van de coronacrisis in onzekerheid zitten, nieuw perspectief te bieden.
Gemeenten, UWV en Regionale mobiliteitsteams helpen bij het zoeken naar nieuw werk, nieuwe bedrijfsactiviteiten en een inkomen. Met het aanbieden van intensieve begeleiding, loopbaanadvies en scholing via praktijkleren in het mbo. Hierbij helpen ze mensen met een bijstandsuitkering of ww, mensen voor wie ontslag dreigt vanwege faillissement van de organisatie, of zelfstandig ondernemers met een Tozo-uitkering op zoek naar werk. Gemeenten, scholen en regionale mobiliteitsteams helpen jongeren bij het zoeken naar werk of om door te leren. Er is ook hulp voor mensen die vanwege de crisis te maken hebben met financiële zorgen.

Bron: Min. EZK, MvF en Min. SZW 30-08-2021

Kaas producten

IB-ondernemerschap vergt meer dan verschijningsplicht

Nadat een ondernemer zijn bedrijf heeft verkocht en alleen nog maar op afroep hoeft te komen, zal hij waarschijnlijk geen IB-ondernemer meer zijn.

Een man handelt via zijn eenmanszaak in kaasproducten en aanverwante artikelen. Deze producten verhandelt hij op drie markten in drie verschillende plaatsen. De ondernemer sluit op 25 juli 2016 een verkoopovereenkomst met een VOF. In het kader van deze overeenkomst gaat de ondernemer met tot 1 januari 2016 terugwerkende kracht een nieuwe VOF aan met de koper. Op 15 augustus 2016 draagt de ondernemer het recht tot de verkoop van kaas- en zuivelproducten op de drie markten over aan de oude VOF. Deze overdracht is inclusief goodwill, voorraad en inventaris. Na deze overdracht vindt een ontbinding van de nieuwe VOF plaats. De man moet daarna nog wel aanwezig zijn op de markt wanneer de marktmeester daarom verzoekt. Voor deze verschijningsplicht ontvangt hij een kilometervergoeding en een vast bedrag van € 50 per keer. De man meent dat hij daardoor in 2017 nog steeds kwalificeert als ondernemer voor de inkomstenbelasting, maar de inspecteur is het daar niet mee eens.
Het geschil belandt voor Rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank constateert dat voor de man na 15 augustus 2016 nog maar weinig (arbeids)inspanningen resteren. Hij moet alleen nog op afroep gaan naar de markt gaan en een vergunning overdragen. Daarnaast is hij los in te schakelen voor verkoopactiviteiten. Daarvoor kan hij apart een rekening sturen. Maar de man bewijst niet dat hij in 2017 omzet heeft behaald met marktbezoeken of verkoopactiviteiten. Verder volgt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel dat de oude VOF de bedrijfsleider is met volledige volmacht. Dit wijst erop dat die VOF ook naar buiten toe optreedt als vertegenwoordiger van de marktexploitant. De man vervult hierbij geen rol. Hieruit blijkt dat echt sprake is van een verkoop en staking van de onderneming. Vervolgens oordeelt de rechter dat de resterende activiteiten van de man onvoldoende zijn om nog te kwalificeren als IB-ondernemer.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 06-08-2021 (gepubl. 23-08-2021)

Per 1 september nieuw aanvraagportaal WBSO

Vanaf 1 september 2021 is een Aanvraag Wet bevordering speur- en ontwikkelingswerk (WBSO) alleen nog mogelijk via het nieuwe aanvraagportaal. Het huidige aanvraagportaal – eLoket – wordt gesloten.

In oktober 2020 opende RVO een nieuw aanvraagportaal voor de WBSO naast het eLoket. Vanaf 1 september 2021 is aanvragen indienen via eLoket niet meer mogelijk. Ondernemers en adviseurs die een aanvraag willen indienen voor een klant moeten inloggen met het eHerkenningsmiddel eH3. Adviseurs dienen voor het doen van de aanvraag te beschikken over een ketenmachtiging.
Voor aanvragen die zijn ingediend via eLoket is geen ketenmachtiging nodig, ook niet na 1 september.
Ondernemers en adviseurs (met een ketenmachtiging) kunnen via het WBSO inlogportaal, met eH3, een vormvrije aanvraag indienen. Houd er rekening mee dat alle communicatie over de aanvraag vanaf de aanvraag digitaal verloopt. Alle notificaties worden verstuurd via noreply@rvo.nl.
Het doorgeven van burgerservicenummers (BSN’s) en het melden van de realisatie (mededeling) loopt voorlopig nog (met eH3) via eLoket.
Meer info: Overgang naar nieuw aanvraagportaal WBSO.

Bron: RVO.nl, 25-08-2021

Afzien van rente over rekening-courant: verkapte winstuitdeling

Komt een dga eenmaal met zijn bv overeen dat hij rente over de rekening-courant vergoedt, dan moet hij deze ook betalen. Anders is fiscaal gezien sprake van een verkapte winstuitdeling.

Een dga sluit in 2013 een overeenkomst inzake rekening-courant met zijn bv. Krachtens deze overeenkomst zal de bv over het saldo een rente van 5% per jaar berekenen. Maar de bv brengt over 2015 en 2016 haar dga geen rente in rekening. De inspecteur merkt het niet doorberekenen van rente over de rekening-courant aan als een verkapt dividend. Rechtbank Gelderland komt eveneens tot dit oordeel. De bv kan aanspraak maken op een rentevergoeding van de dga, maar heeft deze niet ontvangen of bijgeschreven. Daarmee ziet de bv af van een voordeel en verrijkt zo haar dga. Het bedrag aan misgelopen rente heeft dus het vermogen van de bv definitief verlaten. Verder meent de rechtbank dat zowel de dga als zijn bv weet van de inhoud van de overeenkomst. De dga en zijn bv zijn zich dus bewust van de bevoordeling van de dga, zodat inderdaad sprake is van een verkapte winstuitdeling.

Bron: Rb. Gelderland 28-06-2021 (gepubl. 18-08-2021)

Bank mag relatie beëindigen bij Wwft-risico

Een bank mag haar klantenrelatie beëindigen als de desbetreffende klant onvoldoende informatie geeft om aan te tonen dat het risico van witwassen verwaarloosbaar is.

Tot de klanten van een bank behoren een financiële holding, haar dga en haar dochtervennootschap. Die dochtervennootschap drijft een groothandel in elektronische- en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen. Al deze klanten hebben nog een rekening bij minstens één andere bank. De dga is bovendien actief in commercieel vastgoed. In september 2019 vinden invallen plaats bij een groot aantal telecomwinkels. Dit gebeurt in het kader van een onderzoek door de politie, de FIOD en de Belastingdienst naar ondergronds bankieren en witwassen. Later, op 5 maart 2020, ontvangt de financiële holding een brief van de Belastingdienst. De fiscus wijst de holding erop dat zij in voorgaande jaren voor een bedrag van ruim € 33 miljoen intracommunautaire leveringen heeft verricht aan ondernemers van wie het btw-nummer inmiddels is afgevoerd.
Door deze ontwikkelingen gaat de bank zich zorgen maken. Haar algehele beeld van de klantrelatie is dat tientallen miljoenen aan omzet over de rekening gaan. Deze bedragen zien op omzet afkomstig van partijen binnen en buiten Europa. Het gaat hierbij om een business die een zeer groot witwasrisico kent. Verder speelt een rol dat de dga zakenrelaties heeft die zijn gevestigd in het gebied waar de invallen plaatsvinden. Het valt ook op dat de winst van de dochtervennootschap flink is gestegen. De bank laat vervolgens aan de dga en zijn bv’s weten dat zij haar klantenrelatie met hen een onacceptabel Wwft-risico vindt vormen. Deze klanten krijgen de gelegenheid om het tegendeel aan te tonen. Dat lukt de dga en zijn bv’s echter niet. De bank kondigt daarom aan dat zij haar relatie met de dga en zijn bv’s gaat beëindigen.
De dga en zijn bv’s beginnen vervolgens een procedure voor Rechtbank Amsterdam. Zij vorderen dat de bank de klantenrelatie met hen voortzet. De bank stelt voor de rechtbank dat zij ook na het voeren van een klantenonderzoek geen grip heeft op de onderneming en het verdienmodel van de bv’s. Met name de toegevoegde waarde van de financiële holding is onduidelijk. Het lijkt er wel op dat deze bv veel geld rondpompt. Dat de holding in het verleden zaken heeft gedaan met ploffers, stelt evenmin gerust. Ook de rechtbank constateert dat er diverse alarmsignalen zijn. De dga en zijn bv’s tonen niet aan dat het witwasrisico acceptabel klein is. De rechtbank wijst hun verzoek dan ook af, zodat de bank de klantenrelatie mag beëindigen.

Bron: Rb. Amsterdam 01-04-2021 (gepubl. 13-08-2021)

Onderzoek aansluiting pensioenfonds uitdrukkelijk afspreken

Het onderzoeken of een werkgever verplicht is aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds behoort niet tot de reguliere werkzaamheden van een loonadministrateur.

Een bv drijft een onderneming die zich bezighoudt met de in- en verkoop van zonweringen binnen woningen. De bv plaatst die zonweringen ook en biedt besturingssystemen aan om de zonweringen elektrisch te bedienen. Voor het verzorgen van de jaarrekeningen en het voeren van loonadministratie schakelt zij een administratie- en belastingadvieskantoor (hierna: administratiekantoor) in die was aangesloten bij een beroepsorgaisatie. In de tijd dat het administratiekantoor de loonadministratie heeft gevoerd, is gebleken dat de bv zich verplicht had moeten aansluiten bij het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT).
In geschil bij Rechtbank Gelderland is of het administratiekantoor zijn werkzaamheden niet goed heeft gedaan, omdat ze de bv niet heeft gewezen op de verplichte aansluiting bij PMT.
De bv stelt dat de opdracht om de loonadministratie te voeren inhoudt dat het administratiekantoor de loonspecificaties had moeten opstellen waarbij ze rekening houdt met de verplichte aansluiting bij PMT. De rechtbank deelt deze opvatting niet. De bv als werkgever heeft de verplichting om een pensioenregeling uit te voeren. De loonadministrateur van het administratiekantoor kan de loonadministratie alleen goed verwerken en rekening houden met de verplichte aansluiting bij PMT als de bv zich ook daadwerkelijk heeft aangesloten bij een pensioenfonds en premies afdraagt. Het administratiekantoor kan niet zelfstandig een pensioenregeling treffen of werknemers bij een bedrijfstakpensioenfonds aanmelden.
De stelling van de bv dat het administratiekantoor een werkingssfeeronderzoek naar de verplichtstelling had moeten uitvoeren, deelt de rechtbank niet. Deze werkzaamheden zijn niet uitdrukkelijk overeengekomen. Het administratiekantoor heeft gemotiveerd aangevoerd dat dergelijke werkzaamheden ook niet tot de gangbare werkzaamheden behoren. Dat blijkt eveneens uit de afwijzingsbrief van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering van het administratiekantoor. Pensioenadvies en onderzoek naar verplichtstelling vallen niet onder de gangbare werkzaamheden van een administratiekantoor. De rechtbank is van oordeel dat de verantwoordelijkheid om te onderzoeken of de bv onder een verplichte pensioenregeling valt, bij de bv zelf ligt.
De rechtbank vindt ook dat de bv niet erop heeft mogen vertrouwen dat het administratiekantoor onderzoek naar de verplichte aansluiting zou doen. De bv heeft nooit een factuur gehad voor dergelijke werkzaamheden. Dat het administratiekantoor hiervoor niets in rekening zou brengen, ligt niet voor de hand. Een gespecialiseerd pensioenbureau heeft voor het onderzoek namelijk € 7.883,77 in rekening gebracht.

Bron: Rb. Gelderland 18-08-2021

Aftrekverbod huisvestingskosten huurrecht gerechtvaardigd

Volgens Rechtbank Gelderland bestaat er voldoende rechtvaardiging om de aftrek van huisvestingskosten in verband met een huurecht uit te sluiten. IB-ondernemers met een eigen woning zouden anders een fiscaal nadeel hebben dat huurders niet hebben.

Een man is sinds 2009 ondernemer voor de inkomstenbelasting. Hij woont in een huurwoning met een werkruimte die hij voor zijn onderneming gebruikt. Het gaat om een onzelfstandige werkruimte met een oppervlakte van ongeveer 25% van de woning. De IB-ondernemer kwalificeert zijn huurrecht als ondernemingsvermogen. Daarom trekt hij huisvestingskosten af in zijn IB-aangiftes. De Belastingdienst accepteert die aftrek vanaf 2017echter niet meer.
De weigering van de kostenaftrek vloeit voort uit het invoeren van een reparatiemaatregel naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad op 12 augustus 2016. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een IB-ondernemer in beginsel een huurrecht tot zijn ondernemingsvermogen kan rekenen. Zonder nadere maatregelen zouden IB-ondernemers de kosten van hun huurwoning volledig kunnen aftrekken, zij het na toepassing van een correctie wegens privégebruik. Door de reparatiemaatregel zijn sinds 2017 de kosten van een huurrecht dat tot het ondernemingsvermogen behoort, uitgesloten van aftrek. Deze bepaling geldt niet voor een zelfstandige werkruimte waarmee de ondernemer voldoende inkomen behaalt. Deze inkomenstoets geldt wel voor een werkruimte in een eigen woning.
De IB-ondernemer stelt echter dat de reparatiemaatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Rechtbank Gelderland is het met hem eens dat sprake is van discriminatie. Daarvoor bestaat echter een rechtvaardiging. IB-ondernemers die een eigen woning tot hun ondernemingsvermogen rekenen, worden namelijk progressief belast over een eventuele verkoopwinst. Ondernemers met een huurrecht, hebben dit fiscale nadeel niet. De rechtbank oordeelt verder dat de invoering van de aftrekbeperking niet strijdig is met het rechtszekerheidsbeginsel. De wetgever heeft het desbetreffende artikellid namelijk ondubbelzinnig geformuleerd.

Bron: Rb. Gelderland 17-06-2021 (gepubl. 16-08-2021)

Fiscus mag BPM op gebruikte buitenlandse auto naheffen

Constateert de inspecteur dat op een gebruikte auto uit het buitenland te weinig BPM is geheven? Dan mag hij in beginsel de BPM naheffen. Bovendien is hij vrij in zijn bewijsleer voor wat betreft de waardering van de gebruiksschade.

Een gemachtigde voert vier beroepsprocedures voor Hof Den Haag. In alle vier de zaken gaat het om de naheffing van BPM over auto’s die al in het buitenland zijn gebruikt. De gemachtigde meent dat het hof verplicht is om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Maar Hof Den Haag verwerpt dat standpunt en ziet evenmin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof.
Vervolgens beweert de gemachtigde dat naheffen van BPM met betrekking tot gebruikte auto’s uit andere EU-lidstaten in strijd is met het Europees recht. Hij trekt daarbij de vergelijking met gebruikte auto’s die al in Nederland rijden, waarbij naheffing ook achterwege blijft. Het hof vindt dat deze vergelijking mank gaat. Het doel van (na)heffing van BPM bij gebruikte auto’s uit andere lidstaten is dat de kentekenhouder het juiste BPM-bedrag betaalt. De belastingdruk moet daarbij in overeenstemming zijn met het Europees recht. De Belastingdienst mag daarom het verschil naheffen als de belastingplichtige te weinig BPM betaalt. Daarbij moet de inspecteur de beginselen van het Unierecht wel respecteren. Op die manier ontstaat een evenwichtige situatie op de markt voor gebruikte auto’s in Nederland, aldus het hof.
Daarna neemt de gemachtigde het standpunt in dat de inspecteur niet zomaar een lager bedrag aan schade in aanmerking mag nemen dan de belanghebbende bepleit. De fiscus zal het lagere schadebedrag met gelijkwaardig bewijsmiddel moeten onderbouwen. Motiveert de belanghebbende zijn schadebedrag met een onafhankelijk taxatierapport? Dan dient de fiscus dus ook een onafhankelijk taxatierapport te overleggen, zo redeneert de gemachtigde. Maar opnieuw ziet het hof de zaak anders en oordeelt dat voor de inspecteur de vrije bewijsleer geldt.
De fiscus heeft in deze zaak de waardevermindering als gevolg van de schade gesteld op 72% van de geraamde herstelkosten. De gemachtigde heeft een schadebedrag van 100% van de begrote herstelkosten bepleit zonder daarbij een toelichting te geven. Het hof vindt het niet aannemelijk dat het schadebedrag zo hoog is. Sporen van normale gebruiksschade zullen doorgaans niet zo’n substantiële waardedaling meebrengen. De gemachtigde maakt evenmin het recht op een hogere leeftijdskorting aannemelijk.

Bron: Hof Den Haag 15-07-2021 (gepubl. 16-08-2021)

Wie fout advies zaait, zal vergrijpboete oogsten

Wanneer een belastingplichtige van zijn adviseur te horen krijgt dat hij hypotheekrente mag aftrekken, kan aan dit advies geen vertrouwen worden ontleent als aan die adviseur verkeerde informatie is verstrekt. Het gevolg is dan dat de belastingplichtige een vergrijpboete riskeert voor het ten onrechte aftrekken van hypotheekrente.

Een echtpaar bewoont en huurt een woning. Aanvankelijk is de broer van de man de verhuurder, maar later is het de dochter van de echtgenoten die hen de woning verhuurt. De echtgenoten zijn geen eigenaar van de woning en hebben evenmin een recht van vruchtgebruik. In 2004 komt de dochter die de woning verhuurt ook in het pand wonen. Zij laat op het perceel van de woning een vrijstaande garage verbouwen tot zelfstandige woning om daarin te gaan wonen. Deze garage heeft geen eigen huisnummer. De dochter financiert de verbouwing met een hypotheek, waarvoor haar ouders borg staan. Maar het is wel de dochter die de hypotheekrente betaalt. Zij verhuist in 2009, waarop haar zus in de verbouwde garage gaat wonen. Al die tijd blijft de verhuisde dochter de hypotheekrente betalen.
De man vraagt in 2013 op een gratis advieswebsite of een vruchtgebruiker die tevens bewoner en medehypotheekhouder is de hypotheekrente kan aftrekken. Hij krijgt als antwoord dat de hypotheekrente aftrekbaar was. De man stuurt dit advies door naar een administratiekantoor dat zijn belastingaangiftes indient. Hoewel dit kantoor eerst heeft verklaard dat de man geen hypotheekrente kan aftrekken, trekken de medewerkers van dat kantoor in de aangiftes IB/PVV 2012 tot en met 2015 de hypotheekrente af. In 2018 krijgt de man echter navorderingsaanslagen inclusief vergrijpboete opgelegd. De Belastingdienst meent namelijk dat de man opzettelijk en ten onrechte hypotheekrente heeft afgetrokken. De man tekent beroep aan tegen de navorderingsaanslagen. Hij stelt voor Rechtbank Noord-Nederland onder meer dat bij hem te eerbiedigen vertrouwen is opgewekt dat hij de hypotheekrente kan aftrekken.
De rechtbank redeneert dat de man en zijn echtgenote niet de economische eigenaar van de woning zijn en ook geen recht van vruchtgebruik hebben. Deze omstandigheid staat de hypotheekrenteaftrek al in de weg. Vervolgens wijst de rechtbank het beroep op opgewekt vertrouwen af. De man maakt niet aannemelijk dat een overheidsinstantie een uitlating heeft gedaan die bij hem vertrouwen heeft opgewekt. Een verwijzing naar de uitspraken van de internetadviseur helpt de man evenmin. De internetadviseur heeft dat advies immers gebaseerd op de suggestie van de man dat hij de vruchtgebruiker van de woning is. Vervolgens heeft de man met dit onjuiste advies het administratiekantoor onjuiste aangiftes laten indienen. Een boete is hier gepast, al moet wel een matiging plaatsvinden vanwege een overschrijding van de redelijke termijn.

Bron: Rb. Noord-Nederland 06-08-2021

Box 3 op stelselniveau strijdig met discriminatieverbod

Rechtbank Noord-Nederland vindt de keuze van de wetgever om alle belastingplichtigen voor box 3 in het nieuwe stelsel vanaf 2017 over één kam te scheren evident van redelijke grond ontbloot. Het stelsel is in strijd met het discriminatieverbod. De rechtbank kan het ontstane rechtstekort echter niet zelf repareren. Dat moet de wetgever doen.

Het vermogen van een man bestaat met name uit spaartegoeden. Hij is het niet eens met de verschuldigde box 3-heffing over zijn vermogen en is in beroep gegaan bij Rechtbank Noord-Nederland. Dit is een van de zaken die is geselecteerd als proefprocedure voor het massaal bezwaar box 3 voor 2017 en 2018.
De rechtbank moet antwoord geven op de vraag of de vermogensrendementsheffing in de jaren 2017 en 2018 in strijd is met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM. Met name of de forfaitaire elementen van het stelsel in onderlinge samenhang bezien, het heffingsvrije vermogen en het belastingtarief van 30% strijdig zijn met het discriminatieverbod.
Volgens de rechtbank heeft de wetgever geweten dat sparen en beleggen twee verschillende activiteiten zijn, tenminste als het gaat om de opbrengsten. In 2017 zijn de veronderstelde rendementen op beleggingen circa 3,3 maal zo hoog als op spaartegoeden. Voor 2018 geldt dat de rendementen op beleggingen circa 14,9 keer zo hoog zijn als op spaartegoeden.
De wetgever heeft ook geweten dat circa 40% van de belastingplichtigen in box 3 alleen spaartegoeden heeft. Gelet op voornoemde kennis meent de rechtbank dat de keuze van de wetgever om alle belastingplichtigen voor box 3 over één kam te scheren evident van redelijke grond is ontbloot. De wetgever heeft bewust gekozen om de 40% die uitsluitend over spaartegoeden bezitten, te belasten alsof zij ook hun vermogen deels hebben belegd. De rechtbank vindt eenvoud en het voorkomen van arbitrage geen goede redenen om een groep van 40% van de belastingplichtigen te confronteren met een onredelijk hoge belastingdruk. De rechtbank is dan ook van mening dat de regeling op stelselniveau in strijd is met het discriminatieverbod van art. 14 EVRM. Het rechtstekort kan de rechtbank echter niet zelf herstellen. Daarvoor moeten politieke keuzen gemaakt worden en dat is voorbehouden aan de wetgever. De rechtbank verklaart daarom het beroep ongegrond.

Bron: Rb. Noord-Nederland 02-08-2021 (gepubl. 12-08-2021)