Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

TOFA-regeling in zicht

Minister Koolmees heeft opdracht gegeven aan UWV om de tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA) in te voeren. Het streven is om het aanvraagloket op 22 juni 2020 gedurende drie weken open te stellen.

Om de doelgroep van de regeling te vergroten wordt het drempelbedrag verlaagd tot € 400 bruto. De hoogte van de tegemoetkoming wordt vastgesteld op € 550 bruto per maand, in plaats van € 600 per maand, over de maanden maart, april en mei. Deze hoogte sluit beter aan bij het drempelbedrag van € 400 en zorgt ervoor dat er niet een te grote groep ontstaat die een hogere tegemoetkoming krijgt dan men voorheen zelf verdiende. In lijn met de aangepaste hoogte zal ook het maximuminkomen over april worden vastgesteld op € 550 bruto. Mensen die in april meer verdienden, komen niet in aanmerking voor de TOFA.
De TOFA-tegemoetkoming is een compensatie voor gederfd loon en heeft de vorm van een eenmalige bruto tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt behandeld als loon, wordt ook als zodanig belast en vormt inkomen voor toeslagen. De tegemoetkoming zal bij wet met terugwerkende kracht worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking en het UWV zal daarbij worden aangewezen als inhoudingsplichtige, zodat het UWV loonheffing kan inhouden.
Vanwege de korte implementatietermijn is het voor het UWV niet uitvoerbaar om op basis van een uitvraag bij de aanvrager wel of niet algemene heffingskorting toe te passen. Het UWV zal daarom in beginsel bij alle TOFA-tegemoetkomingen de algemene heffingskorting toepassen. Dit kan ertoe leiden dat gerechtigden bij moeten betalen op de aanslag inkomstenbelasting als blijkt dat de algemene heffingskorting bij twee inhoudingsplichtigen is toegepast. Een en ander zal met terugwerkende kracht bij wet worden geregeld. De regeling zal zo snel mogelijk in de Staatscourant worden gepubliceerd.
Pas op 19 juni kan worden aangegeven of de datum van 22 juni voor UWV haalbaar is.

Bron: Min. SZW 2-6-2020

Verkrijging activa en passiva is irrelevant voor toepassing BOR

Als een iemand een (deel van een) materiële onderneming krijgt geschonken en verder aan de voorwaarden voldoet, heeft hij recht op toepassing van de BOR. Dat een deel van het verkregen ondernemingsvermogen in de afgelopen vijf jaar voor de schenking van samenstelling is veranderd is voor toepassing van de BOR niet van belang.

In 2014 ontvangen een broer en zus van hun vader ieder 20% van de certificaten van aandelen in een houdstervennootschap als schenking. De certificaten hebben voor de vader tot een aanmerkelijk belang behoord. De houdster heeft indirect 55% van de aandelen in de bv. Deze bv heeft een materiële onderneming. In 2013 heeft bv alle activa en passiva van een derde gekocht. Die gekochte activa en passiva vormden een materiële onderneming. Na aankoop door de bv behoorde de activa en passiva tot het ondernemingsvermogen van de bv.
Bij de Hoge Raad is het de vraag of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) voor de Successiewet van toepassing is op de verkregen certificaten van aandelen in de houdstervennootschap. Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de BOR niet van toepassing is. De Hoge Raad zet uiteen dat bij verkrijging van certificaten in een bv, voor de BOR vereist is dat die bv een materiële onderneming drijft. Ook is een voorwaarde dat die bv ten minste vijf jaar die onderneming heeft gedreven. Het begrip materiële onderneming ziet ook op een gedeelte van een materiële onderneming, als dat gedeelte een zekere zelfstandigheid bevat.
Beslissend voor toepassing van de BOR bij verkrijging van certificaten van aandelen in een vennootschap met een materiële onderneming, is de situatie op het tijdstip van verkrijging. Als op dat moment al sprake is van een vennootschap met een materiële onderneming dan is niet van belang hoe het vermogen in de afgelopen jaren voor de schenkingsdatum tot stand is gekomen. Anders gezegd bij verkrijging certificaten van aandelen van de vennootschap met een materiële onderneming hoeft niet te worden onderzocht of en in hoeverre daarin zelfstandige gedeelten zijn te onderscheiden. De Hoge Raad oordeelt dat de BOR van toepassing is op de verkrijging van de certificaten van aandelen in de houdstervennootschap.

Bron: HR 29-05-2020, nr. 19/01680

Aanvraag NOW 1.0 tot 5 juni

Bij UWV zijn sinds 6 april 140.000 aanvragen ingediend voor de eerste tranche van de tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW 1.0). Daarvan zijn er inmiddels 123.000 goedgekeurd. Werkgevers hebben tot en met 5 juni de tijd om een aanvraag in te dienen voor NOW 1.0.

De aanvraagtermijn voor NOW 1.0 liep aanvankelijk tot en met 31 mei. Onlangs is een aantal aanpassingen in de regeling opgenomen. Om werkgevers die daardoor mogelijk toch aanspraak kunnen maken op de regeling de kans de geven alsnog een aanvraag in te dienen, is de aanvraagperiode verlengd tot en met 5 juni.
De 123.000 werkgevers van wie de aanvraag inmiddels is goedgekeurd hebben samen 2,1 miljoen mensen in dienst. Het grootste deel van deze werkgevers heeft inmiddels zowel het eerste als de tweede termijn van het toegekende voorschot ontvangen. In totaal gaat het daarbij om een bedrag van € 4,5 miljard euro. Het verwachte omzetverlies dat deze werkgevers hebben opgegeven is gemiddeld 68%. In totaal zijn tot nu zo’n 8.500 aanvragen afgewezen.
De top-3 van sectoren die het grootste aandeel hebben in het aantal toekenningen is onveranderd. De sector ‘horeca en catering’ is goed voor de meeste toegekende aanvragen (24.096), daarna volgen de sectoren ‘detailhandel’ (23.342) en ‘overige commerciële dienstverlening’ (21.500).

Het kabinet heeft inmiddels ook een tweede termijn van de NOW-regeling aangekondigd (NOW 2.0), voor tegemoetkoming in de loonkosten van juni, juli, augustus en september. De systematiek is hetzelfde, maar de voorwaarden voor NOW 2.0 wijken op een aantal punten af van de lopende NOW-regeling. Aanvragen kunnen vanaf 6 juli worden ingediend bij UWV. Zo gauw de regeling definitief is vastgesteld zal UWV werkgevers daarover uitgebreid informeren.

Bron: UWV.nl 29-05-2020

Beroepschrift te laat maar toch ontvankelijk

Verzendt de Belastingdienst een verminderingsbeschikking met daarop de vermelding ‘uitspraak op bezwaar’? En staat hier een uiterste datum op wanneer het beroepschrift moet zijn ingediend? Dan mag belanghebbende van die datum uitgaan, ook al is de feitelijke termijn om in beroep te gaan dan al voorbij.

Een man verleent zorg aan zijn broer die een persoonsgebonden budget (PGB) ontvangt. De zorgverlener krijgt vanuit het PGB betaald. Op de inkomsten heeft de man een bedrag in aftrek gebracht vanwege ingekochte zorg. Die ingekochte zorg heeft de zorgverlener contant betaald. Bij Rechtbank Den Haag is de aftrek voor de ingekochte zorg in geschil.
De rechtbank toetst eerst ambtshalve of het beroepschrift ontvankelijk is. De uitspraak op bezwaar is van 23 augustus 2019. Het beroepschrift is van 15 oktober 2019. De rechtbank heeft het beroepschrift dus na zes weken ontvangen. Toch oordeelt de rechtbank dat het beroep ontvankelijk is. De Belastingdienst heeft namelijk een verminderingsbeschikking verzonden op 6 september 2019. Op deze beschikking stond ‘uitspraak op bezwaar’. Ook staat op de beschikking dat de uiterste datum om in beroep te gaan 18 oktober 2019 is. Onder die omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het ingestelde beroep ontvankelijk is.
Het baat de zorgverlener echter niet. De rechtbank vindt de verklaring van de man op zich wel geloofwaardig. Voor de rechtbank heeft de zorgverlener namelijk verklaard dat het moeilijk is om geschikte zorgverleners te vinden. Bovendien willen die zorgverleners alleen de zorg verlenen als zij contant worden uitbetaald. De rechtbank vindt echter dat de zorgverlener de gang van zaken met schriftelijke stukken had moeten onderbouwen. Door dat na te laten heeft hij geen inzicht kunnen geven in de gang van zaken en de kosten van de ingekochte zorg. De rechtbank geeft daarom de inspecteur gelijk en weigert de gevraagde aftrek.

Bron: Rb. Den Haag 26-3-2020

De ene oudedagsvoorziening is de andere niet

Een man vindt dat hij geen belasting over zijn spaargeld hoeft te betalen, omdat hij al belasting heeft betaald over zijn (gespaarde) arbeidsinkomsten. Ook is de man van oordeel dat zijn vermogen als oudedagsvoorziening onbelast moet blijven net als pensioenkapitaal.

In 2015 heeft de man € 985.282 op spaar- en betaalrekeningen staan. Na aftrek van de vrijstelling van € 42.660, heeft de man als zijn aandeel in het belastbaar inkomen in box 3 € 19.708 aangegeven. Hij vindt dat hij geen belasting over een deel van dit inkomen hoeft te betalen en gaat in beroep bij Rechtbank Den Haag.
De man geeft aan dat het gespaarde geld dient voor zijn pensioen. Bovendien heeft hij hierover al belasting betaald toen hij dit geld als loon heeft gekregen. Er is sprake van dubbele belastingheffing. De rechtbank is het niet met deze stelling eens. Het forfaitaire voordeel in box 3 en de arbeidsinkomsten waaruit het vermogen in box 3 is ontstaan, zijn twee verschillende inkomensbronnen. Arbeidsinkomsten behoren tot het belastbaar inkomen uit werk en woning. Als iemand ervoor kiest deze inkomsten niet te consumeren, dan kunnen deze vermogensbestanddelen opbrengsten generen. Die opbrengsten kunnen en mogen dan afzonderlijk in de heffing worden betrokken volgens de rechtbank. Er is geen dubbele heffing.
Ook met zijn tweede stelling heeft de man geen succes. Een fiscaal toelaatbare pensioenregeling moet aan allerlei strikte voorwaarden voldoen. Denk daarbij aan een direct verband tussen het te bereiken pensioen, arbeidsduur en het arbeidsinkomen. Bij een zuivere pensioenregeling vindt belastingheffing pas plaats bij het ontvangen van de uitkeringen. Het opgebouwde pensioenkapitaal behoort dan niet tot box 3. Er gelden wel allerlei restricties, waaronder een afkoopverbod. Bij spaargeld als oudedagsvoorziening zijn er geen restricties. De man kan vrijelijk over zijn spaargeld beschikken. Een pensioenregeling en een oudedagsvoorziening in de vorm van een spaartegoed zijn geen gelijke gevallen.

Bron: Rb. Den Haag 26-3-2020

Regeling tijdelijke verhuur geldt ook voor tuinhuisje

Tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning is volgens Advocaat-Generaal Niessen ook als tijdelijke verhuur van een eigen woning belast.

In 2015 heeft een echtpaar een eigen woning in de zin van de Wet inkomstenbelasting. Bij deze woning staat een tuinhuis dat zij vanaf 2015 verhuren. Bij de Hoge Raad is in geschil of de inkomsten uit tijdelijke verhuur van het tuinhuis belast is in box 1. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de regeling voor tijdelijke verhuur van de eigen woning niet geldt bij tijdelijke verhuur van delen van de eigen woning. De huuropbrengst is daarom onbelast. Het hof heeft geoordeeld dat het tuinhuis geen onderdeel meer uitmaakt van de eigen woning, maar behoort tot de grondslag het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen.
Advocaat-Generaal Niessen heeft een conclusie genomen naar aanleiding van het door de staatssecretaris ingestelde cassatieberoep. De A-G meent dat uit de ratio van de regeling van tijdelijke verhuur van de eigen woning volgt dat ook kortstondige verhuur belast is in box 1. Er zijn meer bepalingen die ook van toepassing zijn op een gedeelte van de eigen woning. De wetgever heeft bijvoorbeeld art. 3.111 lid 7 Wet IB 2001 ook van toepassing geacht bij een gedeeltelijke vervreemding van de eigen woning. De A-G adviseert de Hoge Raad daarom het cassatieberoep gegrond te verklaren.

Bron: Conclusie AG Niessen 01-05-2020

Door opschortende voorwaarden optellen schenkingen voorkomen

Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant kan iemand op één dag van dezelfde persoon verschillende, van elkaar losstaande schenkingen ontvangen. Dit is bijvoorbeeld te regelen als voor iedere schenking een opschortende voorwaarde geldt.

Een man ontvangt op 7 maart 2013 vijf schenkingen van elk € 10.000 van zijn ouders. De ouders blijven deze bedragen renteloos schuldig. Zij hebben voor iedere schenking een afzonderlijke notariële akte van schenking opgesteld. Hoewel deze vijf akten bijna identiek zijn, bevatten vier van de vijf akten opschortende voorwaarden. Daardoor zal de man het tweede bedrag van € 10.000 pas ontvangen als minstens een van zijn ouders nog leeft op 1 januari 2014. Voor de derde, vierde en vijfde schenking moet minstens één ouder in leven zijn op 1 januari 2015 respectievelijk 1 januari 2016 respectievelijk 1 januari 2017. Verder bevat iedere schenkingsakte een herroepingsrecht.
De Belastingdienst stelt dat deze vijf schenkingen zo met elkaar samenhangen dat sprake is van een schenking van een periodieke uitkering. De rechtbank redeneert echter dat bij de schenking van een periodieke uitkering men in één rechtshandeling het stamrecht schenkt. Het totaal aan uit te keren termijnen moet afhankelijk zijn van een onzekere gebeurtenis. In deze zaak zijn vijf afzonderlijke rechtshandelingen tot stand gekomen, Daarom kan geen sprake zijn van de schenking van een periodieke uitkering. De inspecteur mag de schenkingen evenmin bij elkaar optellen. De schenkingen vinden immers als gevolg van de opschortende voorwaarden in verschillende jaren plaats.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 17-04-2020

Steunpakket voor economie met drie maanden verlengd

Er wordt de komende drie maanden nog eens € 13 miljard uit getrokken voor steun aan ondernemers die in financiële problemen komen door de coronacrisis. Het huidige noodpakket loopt af op 1 juni en het wordt met drie maanden verlengd.

De ondersteuning is gerichter en heeft gewijzigde voorwaarden. Doel is zoveel mogelijk behoud van banen. Daarvoor is nodig dat ondernemers en werkenden zich kunnen aanpassen aan een veranderde Nederlandse samenleving en economie. Een en ander is toegelicht in een Kamerbrief. Hieronder de belangrijkste aankondigingen.

Nieuwe regeling: Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
MKB-ondernemers uit getroffen sectoren uit de TOGS-regeling krijgen – bovenop de tegemoetkoming loonkosten (NOW) – een belastingvrije tegemoetkoming van het ministerie van EZK om hun vaste materiële kosten te kunnen betalen. Bedrijven krijgen afhankelijk van de omvang van het bedrijf, de hoogte van de vaste kosten en de mate van omzetderving (minimaal 30%) een tegemoetkoming voor hun vaste lasten tot een maximum van € 20.000 voor de komende drie maanden. Er is één miljard euro beschikbaar als tegemoetkoming voor deze ondernemingen waar meer dan 800.000 mensen werken.

Verlenging en aanpassing regeling tegemoetkoming loonkosten (NOW)
Een ondernemer die minstens 20% omzetverlies verwacht, kan vanaf 6 juli 2020 een tegemoetkoming in de loonkosten aanvragen bij UWV voor juni, juli en augustus. Hierdoor kunnen bedrijven hun personeel doorbetalen. De verlengde NOW-regeling hanteert dezelfde systematiek van tegemoetkoming, maar bevat de volgende wijzigingen.
De vaste (forfaitaire) opslag wordt verhoogd van 30 naar 40%. Daarmee levert de NOW ook een bijdrage aan andere kosten dan de loonkosten. De referentiemaand voor de loonsom wordt maart 2020. Daarnaast wordt in de al lopende NOW-regeling maart ook als uitgangspunt genomen als de loonsom in de maanden maart-mei hoger is dan in januari-maart. Dit is van belang voor seizoensgebonden bedrijven. Verder mag een bedrijf dat gebruik maakt van de NOW over dit jaar geen winstuitkering aan aandeelhouders doen, geen bonussen aan het bestuur en de directie uitkeren en geen eigen aandelen inkopen.
In de NOW 2.0 blijft de correctie op de subsidie bij ontslag bestaan, maar de subsidie wordt niet meer extra verlaagd bij bedrijfseconomisch ontslag. Bedrijven verklaren bij de nieuwe NOW-aanvraag wel dat zij overleggen met vakbonden als zij voor meer dan 20 medewerkers bedrijfseconomisch ontslag willen aanvragen. Dit sluit aan bij de regelgeving rondom collectief ontslag. Ook blijft de wettelijke bescherming bij ontslag gewoon van kracht.
Werkgevers die de NOW aanvragen, worden verplicht om hun werknemers te stimuleren om aan bij- en omscholing te gaan doen. Werkgevers leggen hier bij aanvraag van de NOW 2.0 een verklaring over af. Ter ondersteuning van initiatieven van sociale partners trekt het kabinet daarvoor € 50 miljoen uit via het crisisprogramma NL leert door waarmee mensen vanaf juli kosteloos online scholing en ontwikkeladviezen kunnen volgen om zich aan te passen aan de nieuwe economische situatie.

Voorwaarden aan verlengde TOZO
De versoepelde regeling om zelfstandig ondernemers waaronder zzp’ers te ondersteunen wordt verlengd, zodat zij een vergrote kans hebben om hun bedrijf te kunnen voortzetten. Zelfstandigen kunnen bij hun gemeente aanvullende inkomensondersteuning krijgen voor levensonderhoud. Deze vult tot eind augustus 2020 het inkomen aan tot het sociaal minimum en hoeft niet te worden terugbetaald.
De verlengde regeling bevat een partnerinkomenstoets. Dit betekent dat alleen huishoudens met een inkomen onder het sociaal minimum aanspraak kunnen maken op een tegemoetkoming in het levensonderhoud.
Ondersteuning blijft ook mogelijk in de vorm van een lening (maximaal € 10.157) voor bedrijfskapitaal, tegen een verlaagd rentepercentage. Zelfstandig ondernemers wordt in de verlengde regeling gevraagd om te verklaren dat er bij hun bedrijf geen sprake is van surseance van betaling of dat het bedrijf in een staat van faillissement verkeert.
Voor ontslagen flexwerkers die niet voldoen aan de voorwaarden voor WW of bijstand werkt het kabinet op verzoek van de Tweede Kamer aan een tijdelijke en uitvoerbare oplossing. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal de Tweede Kamer vandaag hierover apart informeren.

Verlenging belastingmaatregelen
De periode waarin getroffen ondernemers belastinguitstel kunnen aanvragen, is verlengd tot 1 september 2020. Eventuele verzuimboetes voor het niet op tijd betalen, hoeven niet te worden voldaan. De belastingrente en invorderingsrente voor alle belastingmiddelen zijn tot 1 oktober 2020 verlaagd naar 0,01%. Ook andere belastingmaatregelen, zoals een versoepeling van het urencriterium voor zzp’ers en de betaalpauze voor hypotheekverplichtingen, worden tot 1 september 2020 verlengd.
Ondernemers krijgen bij de eerste aanvraag direct drie maanden uitstel van betaling. Voor die drie maanden hoeven ze maar één keer een verzoek in te dienen (voor uitstel van alle belastingsoorten). Ondernemers kunnen ook voor een langere periode dan drie maanden uitstel aanvragen. Daarbij is van belang dat zoveel mogelijk geld dan ook echt in de bedrijven blijft. Om dit extra te waarborgen, moeten ondernemers bij uitstel langer dan drie maanden verklaren dat ze geen dividenden en bonussen uitkeren, of eigen aandelen inkopen.

Coronakredietverlening- en garanties (BMKB, GO, KKC, COL)
De extra, verruimde of meer toegankelijke kredietverlening en -garanties aan kleine en middelgrote bedrijven, startups en scale-ups uit het eerste noodpakket lopen door. Zo houden of krijgen ook deze bedrijven toegang tot bijvoorbeeld financiering door banken. Het gaat om de coronamodules van de Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf-regeling (BMKB) en de Garantie Ondernemingsfinanciering-regeling (GO), de nieuwe Klein Krediet Corona-garantieregeling (KKC) en het verhoogde budget van de SEED Capital-regeling.
De Corona Overbruggingslening (COL) die bijdraagt aan de verbetering van de liquiditeitspositie van innovatieve bedrijven (startups en scale-ups) krijgt vanwege het grote aantal ingediende aanvragen een tweede tranche van € 150 miljoen.

Waar kunnen ondernemers terecht?
Ondernemers melden zich voor de kredietregelingen bij hun kredietverstrekker, bijvoorbeeld een bank. De regeling tegemoetkoming loonkosten (NOW) loopt via het UWV en ondersteuning zelfstandige ondernemers (TOZO) via de eigen gemeente. Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB wordt via RVO opengesteld. Voor belastingmaatregelen kunnen ondernemers terecht bij de Belastingdienst Zakelijk via Belastingdienst.nl/coronavirus.

Bron: Rijksoverheid 20-05-2020

Melden betalingsonmacht helpt niet na leeghalen bv

Als een bestuurder aansprakelijkstelling door de fiscus wil voorkomen, is hij met het doen van een tijdige melding van betalingsonmacht op de goede weg. Heeft hij echter de bv eerst leeggehaald, dan zal zelfs zo’n melding hem weinig baten. De Belastingdienst kan dan vaak aannemelijk maken dat de betalingsonmacht het gevolg is van onbehoorlijk bestuur.

Echtgenoten besturen samen een holding. De man bezit alle aandelen in deze holding. Daardoor heeft hij indirect een 100% belang in een tussenhoudstervennootschap en een kleindochtervennootschap. De tussenhoudster betaalt in de periode van maart 2014 tot en met augustus 2018 niet alle verschuldigde loonheffingen. De Belastingdienst legt haar daarom naheffingsaanslagen loonheffingen en bestuurlijke boeten op. De tussenhoudster kan deze bedragen niet betalen, waarop de ontvanger het echtpaar aansprakelijk stelt. De echtgenoten zijn immers indirect de bestuurders van de tussenhoudstervennootschap.
Het echtpaar gaat in beroep tegen de aansprakelijkstelling. De echtgenoten beweren al in 2009 een melding van betalingsonmacht te hebben ingediend. Volgens hen heeft deze melding een doorlopende werking. Rechtbank Den Haag vindt deze stelling aannemelijk. Maar dat betekent nog niet het einde van de aansprakelijkstelling. De ontvanger mag namelijk proberen aannemelijk te maken dat de betalingsonmacht voortvloeit uit onbehoorlijk bestuur van het echtpaar. De ontvanger slaagt hierin. Hij wijst erop dat de tussenhoudster de man een managementvergoeding heeft toegekend van € 160.000. Op dat moment waren haar resultaten al jaren erg laag. Daarnaast boekte de tussenhoudster diverse bedragen over naar de rekeningen van het echtpaar. De echtgenoten hebben daarmee niet gehandeld als redelijk denkende bestuurders. De rechtbank laat daarom de aansprakelijkstelling in stand.

Bron: Rb. Den Haag 23-04-2020

Geen teruggaaf btw als debiteur in natura betaalt

Als een huurder niet meer de volledige huur kan betalen, draagt hij soms zijn inventaris of een ander bedrijfsmiddel over aan de verhuurder. Vervolgens vindt dan een verrekening plaats met de huurschuld. In dit soort situaties mag de verhuurder geen btw terugvragen over het verrekende deel.

Een bv verhuurt een onroerende zaak aan een andere vennootschap. Daarbij is sprake van belaste verhuur voor de omzetbelasting. Vanaf begin 2016 betaalt de huurder de termijnen niet meer volledig. Uiteindelijk loopt zijn huurachterstand op tot € 171.000 inclusief btw. De verhuurder besluit daarom om de huurovereenkomst bij rechterlijk vonnis te laten ontbinden. Op 31 mei 2017 is deze ontbinding een feit. De huurder berust in de ontbinding. Verder belooft hij bij de ontruiming zijn inventaris achter te laten en te verkopen aan de verhuurder. De verhuurder verrekent de waarde van de inventaris met zijn vordering op de huurder. De verhuurder ziet deze verrekening echter niet als een betaling voor de omzetbelasting. Integendeel, hij meent dat hij nog steeds de btw over het gehele bedrag van € 171.000 kan terugvragen.
De inspecteur vindt dat de verhuurder geen btw kan terugvragen. Door zijn inventaris over te dragen, heeft de debiteur zijn huurschuld in natura voldaan. Er heeft immers een verrekening plaatsgevonden. De verhuurder stelt echter dat de verhuurvordering en de koopprijs van de inventaris los van elkaar staan. De vordering op de huurder staat nog steeds open, aldus de verhuurder. De rechtbank merkt de overdracht van de inventaris echter eveneens aan als het betalen van een vergoeding in natura. Zo’n betaling moet men in principe niet anders behandelen dan een betaling in geld. De verhuurder weet evenmin te bewijzen dat de overgenomen inventaris een waarde heeft van minder dan € 171.000. Nu geen sprake is van een onbetaalde factuur, krijgt de bv geen btw terug.