Hypotheekmarkt groeit verder, maar starters raken achterop
De Nederlandse hypotheekmarkt heeft in 2025 een nieuw hoogtepunt bereikt. Uit cijfers van het Hypotheken Data Netwerk (HDN) blijkt dat het aantal hypotheekaanvragen sterk is toegenomen. In totaal ging het om ruim 563.500 aanvragen. Dat is 16,5 procent meer dan een jaar eerder.
Het grootste deel van deze aanvragen had te maken met de aankoop van een woning. Bijna twee derde van alle aanvragen viel in deze kopersmarkt. De overige aanvragen kwamen uit de zogenoemde niet-kopersmarkt, zoals het oversluiten of verhogen van een bestaande hypotheek. Volgens HDN verschuift het zwaartepunt van de markt steeds verder richting woningkopers.
Toch is de positie van starters in 2025 minder gunstig geworden. In 2024 konden jonge kopers nog profiteren van lagere rentes en hogere lonen. In 2025 spelen juist de hoge woningprijzen hen parten. Steeds meer woningen zijn voor starters niet meer betaalbaar. Het aandeel hypotheekaanvragen van starters daalde daardoor met 3,4 procent.
De sterkste groei was zichtbaar in de niet-kopersmarkt. Vooral gepensioneerden en huiseigenaren die hun hypotheek oversloten, zorgden hier voor een stijging van 21,4 procent. Zij zetten hun opgebouwde woningvermogen steeds actiever in.
Volgens HDN-directeur Reinier van der Heijden laat deze ontwikkeling zien hoe groot de verschillen op de woningmarkt zijn geworden. Starters moeten financieel tot het uiterste gaan om een woning te kunnen kopen, terwijl doorstromers en gepensioneerden juist meer mogelijkheden hebben. Dit verschil bepaalt in toenemende mate de dynamiek op de hypotheekmarkt.
De gemiddelde prijs van een koopwoning kwam in 2025 uit op 512.000 euro. Dat is een stijging van 4,9 procent ten opzichte van een jaar eerder. De prijsstijging was daarmee lager dan in 2024, toen huizen bijna 10 procent duurder werden. Het gemiddelde hypotheekbedrag bij aankoop bedroeg in 2025 circa 373.000 euro, een toename van 3,7 procent.
Bron: Hypotheken Data Netwerk (HDN)
Onzekerheid over btw op pensioenpremies: fiscus wijkt af van rechter
Het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft in twee uitspraken geoordeeld dat pensioenpremies die aan een pensioenfonds worden betaald, belast zijn met btw. De staatssecretaris van Financiën heeft echter laten weten dat hij deze uitspraken voorlopig niet volgt. Voor de praktijk betekent dit dat de huidige werkwijze blijft gelden, in afwachting van een definitief oordeel van de hoogste rechter.
De uitspraken van het hof dateren van 30 september 2025 en gaan over de uitvoering van verplicht gestelde bedrijfstakpensioenregelingen. Volgens het hof is de uitvoering van zo’n pensioenregeling geen verzekeringsdienst. Daardoor geldt de btw-vrijstelling niet en zouden pensioenfondsen 21 procent btw moeten berekenen over de pensioenpremies.
De staatssecretaris heeft op 12 november aangegeven dat hij deze lijn niet overneemt. Een belangrijke reden daarvoor is dat de uitspraken botsen met een eerdere uitspraak van het Hof Amsterdam uit 2023. In die zaak werd pensioenuitvoering juist wel aangemerkt als een btw-vrijgestelde dienst. Tegen die uitspraak loopt inmiddels cassatie bij de Hoge Raad.
Zolang de Hoge Raad hierover geen uitspraak heeft gedaan, blijft het uitgangspunt van de Belastingdienst ongewijzigd. Dat betekent dat pensioenuitvoering voorlopig wordt gezien als een dienst die is vrijgesteld van btw.
Wat betekent dit voor de praktijk?
De uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden hebben specifiek betrekking op verplicht gestelde pensioenfondsen, zoals die voor bakkers en schilders. Het hof stelde vast dat werknemers ook pensioenrechten behouden als de premie niet wordt betaald. Er is volgens het hof daarom geen direct verband tussen premie en uitkering, en dus geen sprake van een verzekeringshandeling.
Dit principe geldt alleen bij verplichte pensioenregelingen. Bij andere regelingen, bijvoorbeeld via een verzekeraar, een PPI of een niet-verplicht pensioenfonds, is premiebetaling wél een voorwaarde voor pensioenopbouw. In die gevallen ligt btw-heffing op de premie minder voor de hand. De reikwijdte van de uitspraken lijkt zich daarom te beperken tot verplicht gestelde pensioenfondsen.
De uitspraken zorgden voor onrust bij veel bedrijven. Met name btw-vrijgestelde ondernemers zouden te maken krijgen met extra, niet-aftrekbare btw-kosten. Dat zou uiteindelijk ook gevolgen kunnen hebben voor de deelnemers. Voorlopig is die zorg niet nodig: zolang de Hoge Raad geen uitspraak heeft gedaan, hoeven pensioenfondsen geen btw te berekenen over de pensioenpremies.
Mocht de Hoge Raad later oordelen dat pensioenuitvoering toch btw-belast is, dan ligt het voor de hand dat de wetgever ingrijpt. Tijdens de behandeling van de Pensioenwet is namelijk al aangegeven dat een uitvoeringsovereenkomst in wezen een verzekeringsovereenkomst is, en daarmee een btw-vrijgestelde dienst.
Bron: Legal & Tax Nationale-Nederlanden
Belasting op saldolijfrente kan eigendomsrecht schenden
De Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de belastingheffing over een saldolijfrente per 2020 in een concreet geval te ver gaat. Volgens de rechtbank vormt de verplichte fiscale afrekening een inbreuk op het eigendomsrecht, omdat de belastingdruk niet in verhouding staat tot het inkomen en de uitkeringen van de belastingplichtige.
De zaak draait om een vrouw die in 2020 werd geconfronteerd met een belastingaanslag van € 75.652. Deze aanslag had betrekking op haar saldolijfrenteverzekering met een waarde van € 158.528. Aanleiding was het aflopen van het overgangsrecht op 31 december 2020. Vanaf dat moment moest fiscaal worden afgerekend over het rentebestanddeel in de waarde van de lijfrente. De vrouw stelde dat deze heffing onevenredig was en in strijd met het eigendomsrecht zoals beschermd door het EVRM. Ook deed zij een beroep op het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelt dat de wettelijke regeling op zichzelf niet onrechtmatig is. Het overgangsrecht van twintig jaar en het maximale belastingtarief van 45 procent worden als redelijk gezien. In dit specifieke geval pakt de regeling echter buitensporig uit. De heffingsgrondslag is vijftien keer zo hoog als de jaarlijkse uitkering. Daarnaast had de vrouw onvoldoende financiële middelen om de aanslag te betalen zonder een lening af te sluiten. Afkoop van de lijfrente was niet mogelijk en zij werd pas laat in 2020 geïnformeerd over de fiscale gevolgen. Hierdoor had zij nauwelijks gelegenheid om maatregelen te treffen.
Op basis hiervan concludeert de rechtbank dat sprake is van een individuele en buitensporige last. Dat betekent een schending van het eigendomsrecht. Het belastbaar inkomen uit werk en woning wordt daarom verlaagd en ook de belastingrente wordt verminderd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet, omdat het overgangsrecht voor iedereen op hetzelfde moment is geëindigd.
Belang voor de praktijk
Saldolijfrenten zijn oude lijfrentecontracten die vóór 14 september 1999 zijn afgesloten. De ingelegde premies of koopsommen waren destijds niet aftrekbaar. Belasting werd pas geheven zodra de uitkeringen hoger waren dan de ingelegde bedragen. Dit systeem gold tot en met 31 december 2020. Daarna moest alsnog fiscaal worden afgerekend over het opgebouwde rentedeel.
In eerdere procedures bij de Rechtbank Zeeland-West-Brabant kregen belastingplichtigen geen gelijk. In die zaken stond vooral de waarderingsmethode centraal, en die bleek correct te zijn toegepast. Ook werd toen geoordeeld dat geen sprake was van een buitensporige last.
De uitspraak van Rechtbank Noord-Holland laat zien dat de uitkomst per situatie kan verschillen. Vooral wanneer de belastingheffing leidt tot ernstige financiële problemen, kan sprake zijn van een schending van het eigendomsrecht. Voor adviseurs is het daarom belangrijk om bij cliënten met een saldolijfrente niet alleen naar de wet te kijken, maar ook naar de persoonlijke financiële gevolgen.
Bron: Legal & Tax Nationale-Nederlanden
Pensioen kan harder stijgen bij overstap naar nieuw stelsel
Deelnemers aan een pensioenfonds dat per 1 januari overstapt naar het nieuwe pensioenstelsel, kunnen mogelijk rekenen op een hogere pensioenverhoging dan eerder gedacht. Een stijging van 10 procent of meer lijkt haalbaar. Dat meldt het Algemeen Dagblad.
Bij het zorgpensioenfonds PFZW werd in oktober nog uitgegaan van een maximale verhoging tot 10 procent. Recente cijfers laten echter zien dat het vermogen van het fonds de afgelopen maanden verder is gegroeid. In november kwam de dekkingsgraad uit op 124 procent. Dat betekent dat PFZW voor elke 100 euro aan huidige en toekomstige pensioenverplichtingen 124 euro in kas heeft.
PFZW is met circa drie miljoen deelnemers en een belegd vermogen van ongeveer 253 miljard euro het op één na grootste pensioenfonds van Nederland. Door deze sterke financiële positie is er ruimte om de pensioenen fors te verhogen. Een belangrijk deel van het overschot kan vanaf 2026 worden ingezet voor hogere pensioenen.
Dat hangt samen met de invoering van de Wet Toekomst Pensioenen. In het nieuwe stelsel hoeven pensioenfondsen minder buffers aan te houden dan voorheen. Daardoor komt meer geld beschikbaar voor uitkeringen. Zowel gepensioneerden als (oud-)werknemers profiteren hiervan.
Voor adviseurs en werkgevers is het relevant om deelnemers goed te informeren over deze ontwikkeling. De overstap naar het nieuwe stelsel kan namelijk niet alleen gevolgen hebben voor de opbouw van pensioen, maar ook voor de hoogte van de uitkeringen op korte termijn.
Bron: Algemeen Dagblad
Horecaprijzen blijven stijgen door hogere btw op logies
De prijzen in de horeca blijven ook in 2026 oplopen. Net als in 2025 wordt een gemiddelde prijsstijging van ongeveer 4 procent verwacht. Dat blijkt uit onderzoek van ING. De belangrijkste oorzaak is de geplande btw-verhoging op logies, die per 1 januari 2026 ingaat. Het btw-tarief voor overnachtingen stijgt dan van 9 naar 21 procent.
Volgens ING nemen de bestedingen van consumenten in de horeca wel toe, doordat de koopkracht verbetert. Toch blijft de groei beperkt. Consumenten moeten nog steeds wennen aan de hogere prijzen in hotels en restaurants. In de afgelopen jaren zijn de prijzen namelijk al fors gestegen: gemiddeld 6,3 procent in 2024, 8,4 procent in 2023 en 8,6 procent in 2022.
De btw-verhoging heeft vooral gevolgen voor de hotelsector. Hotels en vakantiehuisjes worden in 2026 naar verwachting zo’n 11 procent duurder dan in 2025. ING spreekt daarom van een onzeker jaar voor deze sector.
In 2025 stegen de horecaprijzen vooral door hogere huren, duurdere inkoop en stijgende personeelskosten. Voor 2026 verwacht ING dat deze kosten minder hard oplopen. Daardoor zijn de vooruitzichten voorzichtig positief. Door hogere lonen en een lagere inflatie houden consumenten meer te besteden, wat leidt tot extra uitgaven in de horeca.
Tegelijkertijd waarschuwen de economen van ING voor toenemende financiële problemen binnen de sector. Ongeveer 20 procent van de horecabedrijven kampt met problematische schulden. In andere sectoren ligt dit gemiddelde op 7 procent. Vooral restaurants, snackbars en cafés hebben het moeilijk. Vorig jaar ging het nog om 14 procent van de horecazaken, wat wijst op een verslechtering.
De financiële druk is deels het gevolg van schulden die zijn ontstaan tijdens de coronapandemie. Daarnaast zijn de kosten de afgelopen jaren sterk gestegen. Niet alle ondernemers kunnen deze hogere kosten volledig doorberekenen aan hun gasten. Daardoor komen de winstmarges onder druk te staan, met financiële problemen als gevolg.
Bron: ANP
Miljoenenverlies voor fiscus door misbruik van turboliquidaties
De Belastingdienst is in de afgelopen tien jaar naar schatting € 1,5 miljard aan belastinginkomsten misgelopen door misbruik van turboliquidaties. Dat blijkt uit onderzoek van het FD en onderzoeksplatform Investico naar zogenoemde plof-BV’s.
In totaal zijn ongeveer 70.000 besloten vennootschappen via een turboliquidatie opgeheven, zonder dat btw, loonheffingen of vennootschapsbelasting werden afgedragen. Bij een turboliquidatie wordt een onderneming razendsnel ontbonden, soms binnen enkele uren. Deze methode is volledig legaal en vindt plaats zonder toezicht van een curator, accountant of notaris.
Hoewel het merendeel van de turboliquidaties volgens de fiscus rechtmatig verloopt, is er een kleine groep ondernemers die deze route structureel lijkt te misbruiken. Dat komt naar voren uit gesprekken met betrokkenen. Zo blijkt dat ondernemers in ruim tweeduizend gevallen na de opheffing van hun BV alsnog bedrijfsmiddelen verkochten, zoals panden, boten of andere activa.
Daarnaast incasseerden ondernemers in circa 35.000 gevallen belastingteruggaven terwijl hun onderneming formeel al was opgeheven. Volgens de onderzoekers wijst dit op oneigenlijk gebruik van de turboliquidatie, met aanzienlijke schade voor de schatkist.
Voor adviseurs en accountants onderstreept dit onderzoek het belang van zorgvuldige begeleiding bij bedrijfsbeëindiging. Hoewel de turboliquidatie een legitiem instrument is, kan onjuist of strategisch gebruik grote fiscale en juridische risico’s met zich meebrengen.
Bron: ANP
Grote werkgevers willen extra steun voor duurzaam woon-werkverkeer
Een groep van zeventig grote werkgevers roept de Tweede Kamer op om maatregelen te nemen die fietsen en reizen met het openbaar vervoer naar het werk aantrekkelijker maken. Volgens de werkgevers zijn extra investeringen nodig in het ov, betere fietsverbindingen en internationale treinreizen als alternatief voor zakelijk vliegen.
De oproep komt van de Coalitie Anders Reizen. In deze coalitie zitten onder meer grote werkgevers zoals ABN AMRO, ASML, Philips en KPN. Op 17 december 2025 heeft de coalitie haar aanbevelingen aangeboden aan Kamerleden.
Volgens de werkgevers zijn de maatregelen nodig om Nederland goed bereikbaar te houden. Minder files, lagere CO₂-uitstoot en meer duurzame mobiliteit staan daarbij centraal. Zij vinden dat de overheid een belangrijke rol heeft in het stimuleren van ander reisgedrag.
Een belangrijk punt in de voorstellen is de aanpassing van de werkkostenregeling (WKR). Met deze regeling kunnen werkgevers vergoedingen geven aan werknemers zonder dat daar belasting over wordt betaald. De coalitie pleit voor een aparte ruimte binnen de WKR voor duurzaam zakelijk reizen, zoals reizen met het ov en het leasen van een fiets. Daarmee zouden duurzame keuzes fiscaal aantrekkelijker worden dan minder duurzame alternatieven.
Volgens directeur Gwen Jansen van de Coalitie Anders Reizen lopen veel organisaties nu tegen een fundamenteel probleem aan. Duurzaam zakelijk reizen moet vaak worden betaald uit de beperkte vrije ruimte van de WKR, terwijl regelingen voor leaseauto’s en traditioneel woon-werkverkeer grotendeels ongemoeid blijven. Volgens haar is een aanpassing van de WKR een relatief eenvoudige maatregel die een groot effect kan hebben.
Bron: ANP
Online shoppen buiten de EU wordt fors duurder
Bestellen bij webshops buiten de Europese Unie wordt de komende jaren een stuk duurder. De EU-ministers van Financiën hebben besloten dat consumenten vanaf juli 2026 per besteld product € 3 aan invoerrechten moeten betalen. Dat geldt onder meer voor aankopen bij Chinese webshops. Nu hoeven invoerrechten pas te worden betaald bij pakketten met een waarde van € 150 of meer.
Met deze maatregel willen de EU-lidstaten de enorme stroom goedkope pakketjes van buiten de EU beperken. Vooral uit China komen dagelijks miljoenen zendingen Europa binnen. Volgens de lidstaten zorgt dit voor oneerlijke concurrentie en hoge uitvoeringskosten.
De beslissing is genomen door de ministers van Financiën van de Europese Unie. De Nederlandse staatssecretaris van Financiën, Heijnen, reageert positief. Volgens hem is de maatregel nodig gezien de grote aantallen pakketten die Europa binnenkomen.
Het gaat om € 3 per afzonderlijk product, niet per bestelling. Dat betekent dat consumenten bij meerdere producten extra betalen. Wie bijvoorbeeld sokken, een oplaadkabel en kerstverlichting bestelt, betaalt straks € 9 extra bovenop de aankoopprijs.
De Europese Commissie wilde deze regeling oorspronkelijk pas in 2028 invoeren. Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, vonden dat te laat en hebben aangedrongen op een snellere invoering.
Extra kosten door handling fee
Naast de invoerrechten wil Nederland zo snel mogelijk een extra toeslag invoeren: een zogenoemde handling fee van € 2 per product. Deze vergoeding is bedoeld voor de kosten van afhandeling en controle. In dat geval wordt een product in totaal € 5 duurder. Bij drie producten kan dat oplopen tot € 15 extra.
Binnen de hele EU wordt deze handling fee in november 2026 ingevoerd. Nederland wil hier echter niet op wachten en streeft naar invoering per 1 januari 2026. Of dat lukt, is nog onzeker. De ministerraad moet nog instemmen en Nederland wil de maatregel tegelijk met een aantal andere landen invoeren.
Voor consumenten betekent dit dat goedkoop bestellen buiten de EU steeds minder aantrekkelijk wordt. Voor adviseurs en ondernemers is het relevant om klanten tijdig te wijzen op deze extra kosten.
Bron: ANP
Uitkeringsbedragen en kinderbijslag stijgen per 1 januari 2026
Vanaf 1 januari 2026 gaan de meeste uitkeringen omhoog. Dit komt doordat ze zijn gekoppeld aan het wettelijk minimumloon, dat stijgt van € 14,40 naar € 14,71 per uur. Hierdoor worden onder andere uitkeringen uit de Participatiewet, AOW, WIA, WW en Wajong aangepast.
Het gaat om de volgende regelingen:
– Participatiewet
– IOAW
– IOAZ
– AOW
– Anw
– Wajong
– WW
– WIA
– WAO
– Ziektewet
– IOW
– Toeslagenwet
De exacte bedragen zijn terug te vinden in het officiële persbericht over de uitkeringsbedragen 2026.
Kinderbijslag stijgt mee
Ook de kinderbijslag wordt per 1 januari 2026 verhoogd. De bedragen zijn als volgt:
Kind van 0 t/m 5 jaar: € 295,07
Kind van 6 t/m 11 jaar: € 358,30
Kind van 12 t/m 17 jaar: € 421,53
Bron: Rijksoverheid
Problemen bij verzending van bezwaarpost – Belastingdienst geeft advies
Begin december 2025 heeft de Belastingdienst een probleem geconstateerd waarbij correspondentie over ingediende bezwaarschriften niet altijd terechtkomt bij de indiener. Dit geldt voor zowel digitale als papieren bezwaren. Uit onderzoek zijn meerdere oorzaken naar voren gekomen:
Interne onjuistheden in het verwerkingsproces (inmiddels aangepast)
Ontbrekende informatie in brieven, zoals het beconnummer of KVK-nummer
Ontbrekende registratie van fiscaal dienstverleners in de systemen van de Belastingdienst
Advies Belastingdienst:
Om herhaling te voorkomen, geeft de Belastingdienst de volgende adviezen aan indieners en dienstverleners:
Vermeld het beconnummer in het briefsjabloon, bij voorkeur in de rechterkantlijn
Voeg het KVK-nummer toe aan de correspondentie
Controleer of de fiscaal dienstverlener geregistreerd is bij de Belastingdienst
Zo kan de post correct en tijdig worden verwerkt.
Bron: Belastingdienst