Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Renteaftrek op restschuld

Rente betaald op een restschuld is aftrekbaar in de aangifte IB als een eigen woning in de periode 27 oktober 2012 tot 31 december 2017 met verlies is verkocht.

Op 27 februari 2010 is een woning met verlies verkocht. Voor de restschuld is een vaststellingsovereenkomst gesloten met de gemeente. Een belastingplichtige brengt in zijn aangiften IB 2014 en 2015 de aan de gemeente, wegens de restschuld betaalde rente, in aftrek als kosten in verband met de eigen woning. De aanslag IB 2014 word conform aangifte opgelegd. De aangifte IB 2015 wordt gecorrigeerd. Naar aanleiding van de correctie over 2015 legt de inspecteur een navorderingsaanslag IB 2014 op. Beide correcties hebben betrekking op de niet in aftrek te brengen rente die aan de gemeente is betaald.

Volgens de rechtbank is, op basis van art. 3.120a Wet IB 2001 renteaftrek voor de restschuld op een eigen woning alleen mogelijk is als de woning is verkocht in de periode 29 oktober 2012 tot en met 31 december 2017. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bewust voor de ingangsdatum van 29 oktober 2012 heeft gekozen. Nu de woning op 27 februari 2010 is verkocht, kan belastingplichtige de rente niet in aftrek brengen.

Bij Hof Den Bosch maakt de inspecteur aannemelijk dat de verkochte woning nooit een eigen woning in de zin van art. 3.111 Wet IB 2001 van belastingplichtige is geweest. Volgens de gegevens van de Basisregistratie Personen heeft belastingplichtige nooit in de woning gewoond. Belastingplichtige heeft niet met bewijzen aangetoond dat dit niet klopt. De hypotheekrente op de restschuld is niet aftrekbaar omdat de restschuldregeling van art. 3.120a Wet IB 2001 alleen van toepassing is op een vervreemde eigen woning. Nu belastingplichtige niet in de woning heeft gewoond is geen sprake van een eigen woning. Had de restschuld wel betrekking gehad op een eigen woning volgens de Wet IB dan is het hof van oordeel dat de rechtbank op goede gronden een juist oordeel heeft gegeven over de toepassing van artikel 3.120a Wet IB 2001.

Bron: Hof Den Bosch 16-07-2020

Subsidiepot ontwikkeladviezen leeg

De subsidiepot voor kosteloze ontwikkeladviezen binnen de regeling NL Leert Door voor dit jaar is leeg. Vanaf 1 augustus was het mogelijk om op basis van deze regeling een kortdurend traject aan te vragen bij een loopbaanadviseur om zicht te krijgen op de arbeidsmarktkansen die er in deze recessie voor hen zijn. Het maximum aantal inschrijvingen hier voor is sneller bereikt dan verwacht.

In één maand hebben 22.000 mensen zich voor deze regeling aangemeld. Dit najaar zullen deze mensen een ontwikkeladviestraject gaan volgen. Vanwege de maximale uitvoeringscapaciteit van de organisatie die de subsidieregeling uitvoert, is de grens van het aantal trajecten dat de overheid kan bekostigen bereikt. Dat betekent dat er vanaf nu geen kosteloos ontwikkeladvies meer kan worden aangevraagd bij een loopbaanadviseur.
De ontwikkeladviezen zijn onderdeel van het crisisprogramma NL Leert Door. Het doel van dit programma is om werkenden en werkzoekenden te helpen zich voor te bereiden op veranderingen op de arbeidsmarkt. Met NL Leert Door financiert het kabinet naast ontwikkeladviezen ook kosteloze online scholing. Naar verwachting komen de eerste opleidingen en cursussen deze winter beschikbaar voor werkenden en werkzoekenden. In totaal heeft het kabinet € 50 miljoen uitgetrokken voor NL Leert Door. Daarvan is € 14 miljoen gereserveerd voor ontwikkeladviezen.
Bij de presentatie van het derde steun- en herstelpakket is bekend gemaakt dat het kabinet extra geld uittrekt om mensen te helpen zich aan te passen aan de veranderde arbeidsmarkt. In 2021 komt er weer geld vrij voor onder meer scholing en ontwikkeladviezen.
Tot die tijd kunnen mensen op verschillende andere manieren financiële ondersteuning krijgen bij een adviestraject van een loopbaanadviseur. Zo zijn er werkgevers en vakbonden die een dergelijk traject financieren. Ook O&O-fondsen, die verbonden zijn aan een bepaalde sector of branche, hebben hier vaak een regeling voor. Ook regionale leerwerkloketten bieden de mogelijkheid om een ontwikkeladvies te volgen.

Bron: Min. SZW 02-09-2020

Minder hypotheekrenteaftrek door verhuur aan zoon

Een ondernemer die een zelfstandig deel van de woning van zijn ouders bewoont en vanaf die locatie zijn onderneming drijft, beïnvloedt de hypotheekrenteaftrek van zijn ouders. Als hij de huur voor dit gebruik van de woning aftrekt van zijn fiscale winst, vormt dat deel voor zijn ouders geen eigen woning meer.

Een echtpaar bewoont een woning waarvan ieder voor de helft eigenaar is. Het echtpaar heeft een zoon die maatschappelijk gezien zelfstandig leeft. In 2008 komt hij echter na een verbroken relatie op straat te staan. Op dat moment heeft hij omvangrijke schulden, zodat hij geen woonruimte kan krijgen. Noodgedwongen maakt hij gebruik van de hulp van zijn ouders door een woninggedeelte boven de garage van hun woning te betrekken. In 2010 trouwt de man en krijgt hij zelf een zoon. De zoon, de schoondochter en de kleinzoon van het echtpaar staan allemaal ingeschreven op hun adres. Daarnaast drijft de zoon een beveiligingsbedrijf vanuit die woning. In 2017 verhuist de zoon met zijn gezin naar een huurwoning. Over de jaren 2012-2015 wil hij het kostgeld dat hij soms aan zijn ouders betaalt aftrekken als kosten van zijn onderneming. De inspecteur daarmee akkoord.
Gevolg is dat de Belastingdienst nu van mening is dat de ruimte die de zoon benut niet behoort tot de eigen woning van zijn ouders. Zij hebben in de ogen van de fiscus een deel van hun woning ter beschikking gesteld aan het gezin van hun zoon. Daardoor kort de inspecteur het echtpaar in hun eigenwoningrenteaftrek. De vader accepteert dit niet en tekent beroep aan bij Rechtbank Noord-Nederland.
De vader stelt dat alle bewoners van de woning een gemeenschappelijk huishouden vormen. Daartoe voert hij aan dat zijn echtgenote boodschappen doet, kookt en wast voor het hele gezin. Verder stelt de man dat geen schriftelijke huurovereenkomst is opgesteld en dat zijn zoon lang niet altijd huur/kostgeld betaalde. Maar deze argumenten overtuigen de rechtbank niet. De zoon bewoont het woondeel boven de garage alleen vanwege zijn financiële moeilijkheden. Daar komt nog bij dat het woongedeelte boven de garage kwalificeert als een zelfstandig deel van de woning. Dit deel beschikt namelijk over alle faciliteiten om zelfstandig te kunnen wonen. De rechtbank oordeelt daarom dat de zoon en zijn gezin een ander huishouden vormen dan het huishouden van de ouders. De rechtbank verklaart het beroep van de vader dan ook ongegrond.

Bron: Rb. Noord-Nederland 28-08-2020

Tot 1 januari 2021 belastinguitstel

Staatssecretaris Vijlbrief heeft in een brief aan de Tweede Kamer laten weten dat ondernemers tot uiterlijk 1 oktober (een verlenging van het) uitstel van betaling kunnen aanvragen. Daarmee loopt voor alle ondernemers het uitstel uiterlijk op 1 januari 2021 af.

Op het moment dat het verleende uitstel afloopt of vanaf 1 januari 2021 worden de betalingsverplichtingen weer gestart. Wel komt er een ruime terugbetalingsregeling van twee jaar om de opgebouwde belastingschuld af te lossen. Ook zal het percentage van de invorderingsrente langer op 0,1% blijven. Als de ontwikkeling van het coronavirus met nieuwe of verscherpte maatregelen hier aanleiding toe geeft, kan hier opnieuw naar worden gekeken.
Ondernemers die op 1 januari 2021 een (rest)schuld hebben, krijgen een betalingsregeling aangeboden van de Belastingdienst waarmee ze tot 1 januari 2023 iedere maand een vast bedrag terug betalen. Ook zal geen zekerheid worden gevraagd zoals nu gebruikelijk is. Eventuele belastingteruggaven worden niet verrekend en er worden in beginsel geen nadere voorwaarden gesteld, tenzij de belangen van de Staat in het geding zijn.
Als de periode van twee jaar te kort is voor een ondernemer zal de Belastingdienst samen met de ondernemer kijken of een maatwerkoplossing mogelijk is op basis van bestaand beleid. Uiteraard is het ook mogelijk om eerder af te lossen als de ondernemer dit wil.
Om ondernemers zo min mogelijk met extra kosten te confronteren, zal de tijdelijke verlaging van invorderingsrente naar bijna nul worden verlengd tot en met 31 december 2021. Zo hebben ondernemers de komende tijd vrijwel geen kosten bovenop de belastingschuld die ze aan het aflossen zijn.
De belastingrente gaat wel weer naar 4%, omdat dit een prikkel is om op tijd aangifte te doen. De belastingrente voor de vennootschapsbelasting zal tot 31 december 2021 worden verlaagd naar 4% in plaats van de oorspronkelijke 8%.
Per 1 januari 2021 vervalt de tijdelijke versoepeling ten aanzien van de betalingsverzuimboetes. Het niet op aangifte afdragen van loonbelasting over bijvoorbeeld het tijdvak december 2020 wordt dan weer volgens de normale regels beboet.
Ook de verruimde deblokkering van de g-rekening wordt afgebouwd. Zolang en voor zover de ondernemer uitstel van betaling geniet en zich aan de lopende betalingsverplichtingen en aflossingsverplichtingen houdt, blijft deblokkering van het saldo van de g-rekening mogelijk. Het versoepelde beleid ten aanzien van de g-rekening loopt definitief af op 1 januari 2023, als ook het versoepelde uitstelbeleid definitief afloopt.

Bron: MvF 28-08-2020

Derde steunpakket coronacrisis

Het kabinet komt met een derde steun- en herstelpakket voor ondernemers en werkenden. Het nieuwe pakket loopt tot in 2021 en is gestoeld op steun, helpen aanpassen en investeren.

Diverse lopende steunmaatregelen worden vanaf 1 oktober 2020 verlengd. De voorwaarden daarvan worden aangepast, zodat ze meer zijn gericht op de langere termijn. Het kabinet neemt bovendien nieuwe maatregelen om bedrijven te stimuleren om meer te investeren in economische groei. Ook worden extra middelen ingezet om mensen via scholing en begeleiding te helpen bij het vinden van nieuw werk.
De krimp in Nederland is kleiner dan in de buurlanden, maar hoe de economie zich de komende tijd ontwikkelt, blijft onzeker. Het nieuwe pakket heeft daarom een langere duur en biedt zo meer zekerheid in deze voor veel mensen zware tijd. Daarin kunnen niet alle bedrijven overeind gehouden worden en zijn niet alle banen en opdrachten te garanderen.

Coronaregelingen voor ondernemers en werknemers vanaf 1 oktober 2020

NOW (tegemoetkoming loonkosten)
De regeling wordt met negen maanden verlengd, met drie keer drie maanden. In die periode wordt de NOW geleidelijk afgebouwd, zodat ondernemers en werkenden tijd en ruimte hebben om zich aan te passen.

Tozo (inkomensondersteuning zelfstandigen)
Deze regeling wordt ook negen maanden verlengd, tot en met 30 juni 2021 en kent een toets op beschikbare geldmiddelen. Gemeenten bieden vanaf 1 januari 2021 extra dienstverlening aan zelfstandig ondernemers, zoals bij- of omscholing en heroriëntatie.

TVL (tegemoetkoming vaste lasten mkb)
De belastingvrije tegemoetkoming wordt opnieuw ingezet en het maximale bedrag per bedrijf per drie maanden wordt verhoogd naar € 90.000. De regeling wordt met drie keer drie maanden verlengd tot en met 30 juni 2021 en in die periode geleidelijk afgebouwd, zodat ondernemers tijd en ruimte hebben om zich aan te passen.

Borgstellingen, leningen en garantiefondsen
De extra, verruimde of meer toegankelijke kredietverlening en -garanties aan kleine en middelgrote bedrijven voor voldoende liquiditeit (BMKB-C, GO-C en KKC) blijven ook na 1 oktober 2020 beschikbaar.

Nieuwe maatregelen gericht op investeringen
Het kabinet neemt ook nieuwe maatregelen gericht op het stimuleren van investeringen en uiteindelijk economische groei. Publieke investeringen in onder meer infrastructuur ter waarde van twee miljard euro worden naar voren gehaald. Het kabinet investeert daarnaast in een nationale scale-up faciliteit (€ 150 miljoen) en reserveert € 300 miljoen om eventueel te kunnen participeren in een beoogd privaat fonds om (middel)grote bedrijven te herkapitaliseren.
Ook stelt het kabinet € 150 miljoen beschikbaar om het fondsvermogen van de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) extra aan te vullen, zodat zij innovatieve mkb-ondernemingen via financiering kunnen versterken. Het kabinet heeft € 255 miljoen vrijgemaakt voor cofinanciering van EU-programma’s gericht op regionale ontwikkeling, innovatie, duurzaamheid en digitalisering.

Aanvullend sociaal pakket
De komende maanden zullen sommige mensen hun werk kwijtraken en op zoek moeten naar een andere baan. Anderen zullen de overstap willen maken van hun huidige werk naar ander werk met meer toekomstperspectief. Het kabinet wil mensen daarbij helpen. Daarom trekt het kabinet geld uit voor begeleiding bij het vinden van nieuw werk door UWV en gemeenten. Ook komt er meer geld vrij voor om- en bijscholing. Daarnaast gaat het kabinet mensen die kwetsbaar zijn in een economische crisis extra ondersteunen, zoals jongeren en mensen in de banenafspraak. Ook wil het kabinet mensen met een hoog risico op armoede en problematische schulden helpen. In totaal trekt het kabinet voor dit aanvullend sociaal pakket ruim € 1 miljard uit.

Bron: Rijksoverheid, 28-08-2020

Ondanks stelselmatig verzuim geen maximale verzuimboete

Als iemand zijn aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te laat indient, is sprake van een verzuim. Bij stelselmatig verzuim kan de inspecteur een verzuimboete tot het wettelijk maximum opleggen. Bij het bepalen van de hoogte van de verzuimboete moet hij wel rekening houden met alle feiten en omstandigheden die een verhoging of een verlaging van de boete tot gevolg kunnen hebben.

Een man heeft over het jaar 2014 een aangiftebiljet inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen ontvangen. Hij dient echter geen aangifte in, ook niet nadat hij een aanmaning heeft gekregen. Op 15 augustus 2017 geeft de inspecteur de man nog twee weken om zijn aangifte 2014 in te dienen. Ook die termijn laat de man ongebruikt. De inspecteur legt uiteindelijk een ambtshalve aanslag op een verzuimboete naar het wettelijk maximum van € 4.920.
Bij Hof Arnhem-Leeuwarden is in hoger beroep de hoogte van de verzuimboete in geschil. De man meent dat het eerdere verzuim is opgeheven. De inspecteur heeft de man namelijk twee weken extra tijd heeft gegeven om de aangifte te doen. Het hof is het niet eens met die zienswijze. Bovendien heeft de inspecteur in zijn brief uitdrukkelijk vermeld dat hij in ieder geval een verzuimboete zal opleggen. De man is namelijk te laat geweest met het indienen van zijn aangifte. Verder voert de man aan dat sprake is geweest van overmacht, ofwel afwezigheid van alle schuld. De man stelt dat hij geen aangifte heeft kunnen doen door de inbeslagname van zijn administratie. Ook hier is het hof het niet met de man eens. Hij is al vanaf 7 oktober 2015 in verzuim en de administratie is pas op 23 maart 2017 in beslag genomen.
De inspecteur heeft volgens het hof daarom terecht een verzuimboete opgelegd. Ook heeft de inspecteur terecht geoordeeld dat sprake is geweest van stelselmatig verzuim vanaf 2009 tot en met 2014. Het is niet nodig dat de inspecteur over alle jaren vanaf 2009 een boete oplegt, omdat de zogeheten verzuimenreeks is afgeschaft. Het hof verlaagt wel de boete van € 4.920 naar € 369, omdat bij de boeteoplegging rekening moet worden gehouden met de financiële omstandigheden van de man.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 11-08-2020

Pensioen onder beslag is fiscaal genoten

Het komt in de praktijk voor dat een schuldeiser beslag legt op het pensioen van een schuldenaar. In dat geval zal de schuldeiser zijn vordering op de schuldenaar verrekenen met het in beslag genomen geld. Fiscaal gezien heeft de schuldenaar dat pensioen dan nog steeds genoten.

Een man heeft pensioenrechten opgebouwd en ontvangt daarom uitkeringen van een stichting pensioenfonds. Bij het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2016 geeft hij een bedrag van € 7.500 aan pensioen op. De Belastingdienst wijkt bij het opleggen van de aanslag af van de aangifte van de man. Volgens de loongegevens van de stichting bedraagt het bruto pensioen van de man namelijk € 38.643. Hij heeft wel minder netto ontvangen. Naast de ingehouden loonheffing heeft een schuldeiser van de man derdenbeslag op de pensioenuitkering gelegd. Dat betekent echter niet dat de man het in beslag genomen inkomen niet heeft genoten. De schuldeiser heeft dat geld zelfs in mindering gebracht op zijn vordering op de man. Tegenover de lagere ontvangst aan loon staat dus een afgenomen schuld. De man is dan ook niet verarmd door de beslaglegging. Hof Den Haag ziet daarom geen reden om bij de bepaling van het fiscale loon af te wijken de loongegevens van de stichting. Het hof verklaart het beroep van de man ongegrond.

Bron: Hof Den Haag 15-07-2020

Kunst goedkoop ter beschikking te stellen

Volgens Rechtbank Gelderland is het zakelijk om bij het ter beschikking stellen van kunstwerken aan een eigen vennootschap geen vergoeding in rekening te brengen.

Een man is in gemeenschap van goederen gehuwd. Hij heeft indirect aandelen in een bv die samen met nog twee andere ondernemers een accountants- en belastingadvieskantoor drijft in de vorm van een maatschap. De dga stelt al sinds de jaren 90 van de vorige eeuw kunstwerken ter beschikking aan het accountants- en belastingadvieskantoor. De dga geeft daarbij in zijn aangifte telkens een gebruiksvergoeding op van nihil. De inspecteur wijkt hierbij de aanslagoplegging van af en corrigeert de aangiften met een gebruiksvergoeding.
Bij Rechtbank Gelderland is het de vraag of de gebruiksvergoeding waarvan de inspecteur uitgaat, terecht is. De dga heeft zich op het vertrouwensbeginsel beroepen. Vast staat volgens de rechtbank dat de inspecteur jarenlang de aangiften heeft gevolgd. De terbeschikkingstelling van de kunstwerken is bovendien diverse keren onderwerp van discussie geweest. Er is een boekenonderzoek geweest in 2003 waarbij de terbeschikkingstelling aan de orde is geweest. De gebruiksvergoeding is bij de behandeling van de aangifte 2008 weer uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Bij de aangifte 2010 en 2011 zijn opnieuw vragen door de inspecteur gesteld over de inkomsten uit tbs. De rechtbank meent daarom dat de dga op grond van het vertrouwensbeginsel geen gebruiksvergoeding in aanmerking hoeft te nemen.
De inspecteur stelt het opgewekte vertrouwen te hebben opgezegd. De dga heeft bevestigd telefonisch overleg met de inspecteur te hebben gehad. Echter daarin heeft de inspecteur slechts aangegeven dat vanaf 2012 verder moet worden bezien hoe om te gaan met de toepassing van de terbeschikkingstellingsregeling. Dit is volgens de rechtbank geen opzegging van het opgewekte vertrouwen. De rechtbank oordeelt verder dat de dga geen afwaarderingsverlies op de kunstwerken kan nemen. Wel kan de dga verkoopverliezen van enkele schilderen in mindering brengen op zijn inkomen.

Bron: Rb. Gelderland 05-08-2020

Zonder objectieve voordeelsverwachting geen ondernemer

Of iemand ondernemer is voor de inkomstenbelasting is onder meer afhankelijk van het antwoord op de vraag of diegene een objectieve voordeelsverwachting heeft. De rechtbank is van oordeel dat daarvan in dit geval niet langer sprake is. De bank heeft de financiering van de activiteiten gestopt, de gemeente heeft de omgevingsvergunning ingetrokken en het woon/bedrijfspand is in het openbaar geveild.

In 2008 heeft een belastingplichtige het plan als onderaannemer winst uit onderneming te gaan genieten. In 2008 krijgt hij de eigendom van een stuk grond en heeft hij een pand laten bouwen. De bedoeling is dat het pand voor 1/3e deel bestaat uit een kantoorruimte en voor 2/3e deel uit een woning. In 2009 is de aannemer die de ruwbouw van het pand zou uitvoeren failliet gegaan. De onderaannemer besloot daarom de ruwbouw zelf uit te gaan voeren. De onderaannemer werd in 2009 mishandeld en in 2010 is de man betrokken bij twee ongevallen. Door deze gebeurtenissen heeft de onderaannemer een burn-out gekregen. Door de economische crisis en de burn-out heeft de onderaannemer betalingsachterstanden bij de bank opgelopen, waardoor de bank de financiering van de activiteiten heeft ingetrokken. In 2010 heeft de gemeente de omgevingsvergunning voor het pand ingetrokken, omdat de onderaannemer geen bouwactiviteiten meer heeft uitgevoerd. Het woon/bedrijfspand is uiteindelijk in het openbaar geveild.
In geschil bij Rechtbank Noord-Holland is of in 2014 sprake is van een bron van inkomen. Ook is de toepassing van de foutenleer in geschil. De rechtbank meent dat aan enkele voorwaarden voor kwalificatie van een bron van inkomen is voldaan. De onderaannemer nam deel aan het economische verkeer. Met die deelname had hij het oogmerk om voordeel te behalen. De derde voorwaarde is of er een objectieve voordeelsverwachting is. De rechtbank meent dat er objectief gezien, geen voordeel valt te verwachten in 2014. In 2010 is de bank al gestopt met financiering van de activiteiten van de onderaannemer, heeft de gemeente de omgevingsvergunning ingetrokken en is het pand op een openbare veiling verkocht. Als er al een bron van inkomen is geweest, is daarvan in 2014 in ieder geval geen sprake meer.
De rechtbank oordeelt dat de foutenleer niet kan worden toegepast bij een onjuiste etikettering van een vermogensbestanddeel dat niet langer tot het ondernemingsvermogen behoort. Bij de aanschaf van de grond is bovendien al gekozen voor privévermogen. Alleen door bijzondere omstandigheden is heretikettering mogelijk, maar na die keuze zijn die bijzondere omstandigheden er niet geweest. De kosten van € 194.000 zijn niet aftrekbaar.

Bron: Rb. Noord-Holland 11-08-2020

Inspecteur moet niet wachten op hoger beroep wederpartij

Door niet zelf hoger beroep in te stellen heeft de inspecteur de kans aanvaard dat hij ook geen incidenteel hoger beroep kan instellen. Niet-ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van de inspecteur is aan de orde als de belastingplichtige het principale hoger beroep niet motiveert of intrekt voor motivering.

Een Belgische nv ontvangt naheffingsaanslagen accijns en voorraadheffing aardolieproducten. Ook ontvangt ze een boetebeschikking. Ze is het niet eens met de aanslagen en boete en maakt daarom bezwaar. De inspecteur handhaaft in zijn uitspraak op bezwaar alle aanslagen en de boete. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Met dagtekening 24 december 2018 ontvangt de inspecteur een brief van het hof dat de nv in hoger beroep is gegaan. Op 31 januari 2019 ontvangt de inspecteur van het hof echter opnieuw een brief. In deze brief staat dat het hof ten onrechte melding heeft gemaakt van het feit dat de nv in hoger beroep is gegaan. De inspecteur heeft daarop alsnog een hoger beroep ingediend met dagtekening 5 februari 2019. De uitspraak op het beroep tegen de uitspraak op bezwaar van de rechtbank is van 12 december 2018.
Bij Hof Den Bosch is in geschil of de inspecteur ontvankelijk is in zijn hoger beroep. Het hof heeft het hoger beroepschrift later dan zes weken na de uitspraak van de rechtbank ontvangen. De vraag is of de inspecteur verschoonbaar te laat is. De inspecteur heeft op basis van de melding van het hof besloten geen hoger beroep in te stellen en de gronden van het hoger beroep van de nv af te wachten. Het is spijtig te noemen dat het hof de inspecteur onjuist heeft geïnformeerd. Echter dat is geen verschoonbare reden voor de inspecteur om niet op tijd hoger beroep in te stellen. De inspecteur behoort als professionele procespartij te weten dat hij soms ook niet-ontvankelijk is in zijn incidenteel hoger beroep. Dat is het geval als de nv het hoger beroepschrift niet tijdig motiveert of als zij voor de motivering het hoger beroep intrekt. Door niet zelf principaal hoger beroep in te stellen heeft de inspecteur volgens het hof daarom de kans aanvaard dat hij ook geen incidenteel hoger beroep meer kan instellen. Als de inspecteur zeker wil stellen dat de vernietiging van de naheffingsaanslagen en beschikkingen door de rechtbank in hoger beroep door het hof wordt heroverwogen, dan moet hij tijdig zelf principaal hoger beroep instellen. Alleen dan kan hij zijn rechten zeker stellen.

Bron: Hof Den Bosch 16-07-2020