Aanpassingen Btw en accijns
Tarief sierteelt en ballonvaarten
Sierteeltproducten zijn onder meer bloembollen, bloemen, planten en boomkwekerijproducten zoals kerstbomen. Het verlaagde btw-tarief van 9% op deze producten wordt afgeschaft. Vanaf 1 januari 2028 geldt het algemene btw-tarief van 21% voor sierteeltproducten. Vanaf die datum geldt ook voor ballonvaarten het algemene tarief. Omdat er in deze sector gewerkt wordt met vooruitbetalingen, wordt met een overgangsbepaling geregeld dat het btw-tarief geldt van het moment waarop de prestatie wordt verricht. Wordt een ballonvaart dus vooruitbetaald in 2027, maar vindt deze plaats in 2028, dan is het algemene btw-tarief verschuldigd.
Verlengen accijnskorting voor ongelode benzine
De accijnstarieven voor ongelode benzine, diesel en LPG zijn sinds 1 april 2022 verlaagd. Per 1 juli 2023 is de verlaging gedeeltelijk teruggedraaid. Het kabinet stelt voor om de accijnskorting voor ongelode benzine te verlengen tot 1 januari 2028. Het accijnstarief voor ongelode benzine wordt iets verhoogd, maar niet geïndexeerd, waardoor de accijnskorting voor 2027 de facto ruimer wordt.
| Accijnstarief | 2027 | 2026 |
|---|---|---|
| In basispad | € 1,02812 | € 1,00207 |
| Accijnskorting | € 0,17643 | € 0,15738 |
| Accijnstarief | € 0,85169 | € 0,84469 |
Indexatie alcoholaccijns
In tegenstelling tot andere accijnzen kent de alcoholaccijns momenteel geen indexatiesystematiek. Hierdoor neemt de hoogte daarvan relatief af bij inflatie. Voorgesteld wordt dat de hoogte van de accijns jaarlijks automatisch wordt aangepast aan de inflatie, zodat de reële hoogte van de tarieven gelijk blijft.
Afschaffen kleine brouwersregeling
Over bier van kleine brouwerijen wordt een lager accijnstarief geheven dan over bier van grote brouwerijen. Kleine brouwerijen (< 200.000 hl) krijgen een accijnskorting van 7,5%. Dit scheelt, afhankelijk van het alcoholpercentage, één tot twee cent per glas. Het kabinet stelt voor om dit verlaagde accijnstarief per 2028 af te schaffen, zodat ook bij kleine brouwerijen het reguliere accijnstarief wordt geheven.
Maatregelen Loonbelasting
Onbelaste reiskostenvergoeding naar € 0,25
De gerichte vrijstelling voor reiskosten wordt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026 verhoogd van € 0,23 naar € 0,25. In navolging van deze verhoging worden ook het forfait voor aftrekbare reiskosten voor IB-ondernemers en resultaatgenieters en het forfait voor reiskosten bij specifieke zorgkosten bij ziekenbezoek, weekenduitgaven voor gehandicapten en het forfait voor de giftenaftrek voor de situatie waarin een vrijwilliger afziet van een reiskostenvergoeding verhoogd van € 0,23 naar € 0,25 per kilometer.
Afschaffen vrijstelling eigen producten WKR
Voorgesteld wordt om de gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten af te schaffen. Deze vrijstelling gold sinds 2015. Werkgevers konden sindsdien een korting geven tot een bedrag van ten hoogste 20%, maar niet meer dan € 500 per werknemer per kalenderjaar op producten uit het eigen bedrijf. Denk hierbij aan personeelskorting op boodschappen, kleding, elektronica, gezinsabonnementen, vliegtickets, hypotheekadvies of verzekeringspremies. Werkgevers kunnen vanaf 2027 nog wel personeelskorting blijven geven, maar deze korting moeten zij dan ten laste van de vrije ruimte van de werkkostenregeling brengen. Het is niet langer nodig om bij te houden hoeveel korting er per werknemer is gegeven.
Wijzigingen auto
Youngtimerregeling
Het kabinet bouwt de youngtimerregeling geleidelijker af, zodat autobedrijven en ondernemers minder abrupt geraakt worden door stijgende kosten. Deze leeftijdsgrens gaat in 2027 van 16 naar 17 jaar. Per 2028 geldt voor elke auto dat de youngtimerregeling pas kan worden toegepast als de leeftijdsgrens van 20 jaar is overschreden. Dat leidt dus tot het wegvallen van de youngtimerregeling voor auto’s die in 2027 de leeftijdsgrens van 17, 18 of 19 jaar hebben overschreden, maar nog niet de leeftijdsgrens van 20 jaar. De eerdere verhoging van de leeftijd van auto’s in de youngtimerregeling naar 25 jaar gaat niet door.
Tijdelijke verlaging motorrijtuigenbelasting voor bestel- en vrachtauto’s
Vooruitlopend op wetgeving is bij beleidsbesluit per 1 juli 2026 een tijdelijke verlaging van de motorrijtuigenbelasting (mrb) ingevoerd voor bestel- en vrachtauto’s. Voor bestelauto’s van ondernemers is het tarief van de mrb gehalveerd. Het tarief van de mrb voor vrachtauto’s is tijdelijk op nihil gesteld. De aanpassingen gelden voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2026. Het Belastingplan 2027 bevat de wettelijke grondslag voor de in het beleidsbesluit opgenomen goedkeuring. De wetsartikelen, waarin de tariefverlagingen zijn opgenomen, werken terug tot en met 1 juli 2026. Met ingang van 1 januari 2027 gelden de normale wettelijke regelingen weer.
Tijdelijk verlagen vrachtwagenheffing
De vrachtwagenheffing is op 1 juli 2026 gestart. De hoogte van de vrachtwagenheffing is afhankelijk van het voor de betreffende vrachtwagen geldende tarief en het aantal kilometers dat met de vrachtwagen op heffingsplichtige wegen wordt gereden. De tarieven en heffingsplichtige wegen zijn vastgelegd in de Wet vrachtwagenheffing. Van 1 september tot en met 31 december 2026 geldt een verlaging van de tarieven met 22,3%. Die verlaging is opgenomen in een goedkeurend beleidsbesluit, vooruitlopend op wetgeving. De tijdelijke wijziging van de tarieven is opgenomen in het BP 2027 om te voorzien in de vereiste wettelijke grondslag.
Pseudo-eindheffing fossiele personenauto’s
De pseudo-eindheffing voor fossiele personenauto’s (pefa) treedt op 1 januari 2027 in werking, zoals vastgelegd in het Belastingplan 2026. Deze heffing bedraagt 12% van de cataloguswaarde van de fossiele personenauto. Werkgevers betalen de heffing als zij zo'n auto ook voor privégebruik aan werknemers beschikbaar stellen. Woon-werkverkeer valt hier ook onder. Het kabinet stelt nu enkele aanpassingen voor om problemen die zijn opgemerkt te verminderen.
Vervangend vervoer bij onderhoud en reparatie
De pefa is niet van toepassing op een vervangende fossiele personenauto die een werknemer privé gebruikt vanwege onderhoud of reparatie van de vaste auto. Deze uitzondering geldt als de vervangingsperiode maximaal veertien dagen per onderhouds- of reparatieperiode duurt. Een bandenwissel of schadeherstel valt hier ook onder. Wordt de termijn van veertien dagen overschreden, dan is de pefa vanaf de vijftiende dag dat de vervangende auto ter beschikking is gesteld verschuldigd. De pefa geldt dan voor de gehele kalendermaand waarin de vijftiende dag valt. De uitzondering geldt niet wanneer de vaste auto niet voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld, maar de vervangende auto juist wel voor privédoeleinden ter beschikking is gesteld.
Uitzondering voor lesauto’s
Voertuigen zonder CO₂-uitstoot hebben doorgaans een automatische transmissie. Daarom worden auto’s met handgeschakelde transmissie, die worden gebruikt voor rijles, uitgezonderd van de pefa. Deze maatregel voorkomt dat het aanbieden van handgeschakelde lesauto’s wordt ontmoedigd, wat de rijvaardigheid van nieuwe automobilisten kan beperken.
Termijn overgangsrecht
Het overgangsrecht voor auto’s die vóór 1 januari 2027 voor het eerst ter beschikking zijn gesteld, wordt verlengd tot en met 31 december 2030 (was 16 september). Dit voorkomt administratieve lasten door een einde halverwege een maand of jaar. De verlenging sluit ook beter aan bij de regeling privégebruik auto, die ook per kalenderjaar is.
Incidentele terbeschikkingstelling
Ook komt er een nieuwe uitzondering voor tijdelijk gebruik van auto's, zoals huur- of deelauto’s. Een werkgever mag per kalenderjaar één keer een fossiele personenauto maximaal zeven aaneengesloten dagen privé beschikbaar stellen zonder de heffing te betalen. Dit geldt per fossiele auto per werkgever en per kalenderjaar. Als dezelfde auto in hetzelfde jaar aan een andere werknemer of voor een tweede periode privé wordt gebruikt, geldt de uitzondering niet. De werkgever betaalt dan de heffing over de betreffende maanden. Deze uitzondering stopt op 31 december 2030.
Anticumulatiebepaling
Er wordt een anticumulatiebepaling in de wet opgenomen om te voorkomen dat de pefa samenloopt met de pseudo-eindheffing voor hoge vertrekvergoedingen. Dit betekent dat het bedrag van de pseudo-eindheffing voor te hoge vertrekvergoedingen wordt berekend zonder het voordeel van de fossiele auto mee te tellen. Zo wordt dubbele belasting over hetzelfde bedrag voorkomen.
Aanpassingen ondernemingen
Afschaffen startersaftrek
De startersaftrek is een regeling in de inkomstenbelasting waardoor een ondernemer, die minder dan vijf jaar ondernemer is (starter), onder voorwaarden maximaal drie jaar recht heeft op een extra aftrekpost van maximaal € 2.123. De startersaftrek wordt per 1 januari 2027 verlaagd tot € 10 en per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. In het verlengde hiervan wordt in 2028 ook de regeling willekeurige afschrijving starters afgeschaft.
Startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid
Verder wordt voorgesteld om per 1 januari 2029 de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid af te schaffen. De regeling is bedoeld voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur. Op dit moment is de aftrek in het eerste jaar maximaal € 12.000, in het tweede jaar maximaal € 8.000 en in het derde jaar maximaal € 4.000.
Versoberen en afschaffen meewerk- en stakingsaftrek
Naar verwachting worden per 2027 de meewerkaftrek en stakingsaftrek eerst met 75% versoberd en per 2030 afgeschaft. De meewerkaftrek is een regeling waardoor IB-ondernemers, van wie de partner onbetaald in de onderneming meewerkt, minder belasting over hun winst hoeven te betalen. De hoogte van de meewerkaftrek is gekoppeld aan het aantal door de partner gewerkte uren. De stakingsaftrek zorgt ervoor dat IB-ondernemers, die stoppen met hun onderneming, over een deel van de daarbij behaalde winst geen belasting hoeven te betalen. De stakingsaftrek bedraagt op dit moment € 3.630. Dat wordt € 908 in 2027.
Verhogen aftrekpercentage EIA
Het aftrekpercentage van de energie-investeringsaftrek (EIA) wordt per 1 januari 2027 verhoogd van 40% naar 45,5%. Hiermee wordt het financieel aantrekkelijker voor bedrijven om investeringen te doen in energiebesparende maatregelen of duurzame energie. Hiermee probeert het kabinet om de verduurzaming te versterken en de afhankelijkheid van energie uit het buitenland te verminderen.
Afschaffen bosbouwvrijstelling
De bosbouwvrijstelling is een regeling die de voordelen uit bosbedrijf vrijstelt van inkomsten- resp. vennootschapsbelasting. Het kabinet stelt voor de bosbouwvrijstelling per 1 januari 2029 af te schaffen, zonder enige vorm van overgangsrecht.
Doelstelling van de bosbouwvrijstelling is het bevorderen van het behoud en de aanleg van bossen door bosbedrijven. De bosbouwvrijstelling is volgens recent onderzoek niet doeltreffend en niet doelmatig. Bosbouwbedrijven zijn niet of weinig winstgevend. Het gebruik van de vrijstelling door bosbouwbedrijven is daarom beperkt. Vooral niet-bosbouwbedrijven met een beperkt bosbezit maken gebruik van de regeling. Afschaffing maakt het belastingstelsel eenvoudiger Een deel van de opbrengst van het afschaffen van de bosbouwvrijstelling zal worden besteed aan natuurbeleid via de begroting van het Ministerie van LVVN.
MKB-forfait innovatiebox
De vennootschapsbelasting kent een forfaitaire regeling om de innovatiebox toegankelijker te maken voor het midden- en kleinbedrijf (mkb). Als voor deze regeling wordt geopteerd, wordt 25% van de winst aangemerkt als het saldo van voordelen uit hoofde van de immateriële activa en in de innovatiebox belast. Er geldt een maximum van € 25.000 per jaar en per belastingplichtige. Omdat de winst uit een immaterieel activum zich meestal niet in één jaar voordoet, is ervoor gekozen deze te verdelen over het jaar waarin het immateriële activum ontstaat en de twee daaropvolgende jaren.
Het kabinet stelt voor om deze forfaitaire regeling per 1 januari 2027 te verruimen door het maximumbedrag te verhogen naar € 100.000.
Aanpassingen IB particulieren en box 2
Specifieke zorgkosten
De regeling aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten zal worden afgeschaft per 2028. Er komt geen overgangsrecht voor negatieve persoonsgebonden aftrek die samenhangt met de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten. Dit betekent dat een teruggave of nagekomen betaling, die na 1 januari 2028 wordt ontvangen voor eerder afgetrokken zorgkosten, niet meer leidt tot een negatieve persoonsgebonden aftrek.
Aftoppingsgrens pensioen
Sinds 1 januari 2015 is het inkomen, waarover aanvullend pensioen of een lijfrente kan worden opgebouwd, gemaximeerd. De zogenoemde aftoppingsgrens wordt jaarlijks geïndexeerd. In 2026 bedraagt de aftoppingsgrens € 137.800. In 2025 en 2026 is de aftoppingsgrens niet geïndexeerd. Voorgesteld wordt om ook in de jaren 2027 tot en met 2032 geen indexatie toe te passen op de aftoppingsgrens.
Verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing
Als de werkelijke leiding van een vennootschap wordt verplaatst naar Nederland (zetelverplaatsing), ontstaat voor de in het buitenland woonachtige aanmerkelijkbelanghouder een buitenlandse belastingplicht voor de inkomstenbelasting. Dit leidt ertoe dat over reguliere voordelen en over vervreemdingsvoordelen in Nederland inkomstenbelasting in box 2 is verschuldigd.
Op basis van de huidige wettekst kan het standpunt ingenomen worden dat de verkrijgingsprijs vastgesteld moet worden op de (historische) tegenprestatie bij verkrijging van het aanmerkelijk belang. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld om de verkrijgingsprijs bij zetelverplaatsing vast te stellen op de waarde in het economische verkeer van het aanmerkelijk belang op dat moment. Hierdoor wordt alleen een waardestijging of een waardedaling die plaatsvindt na de zetelverplaatsing tot het inkomen uit box 2 gerekend.
Vererfd ab en fictief regulier voordeel
Bij een vererfd aanmerkelijk belang kan onder voorwaarden gebruik worden gemaakt van een faciliteit waardoor reguliere voordelen die binnen 24 maanden na overlijden worden ontvangen, niet direct in box 2 worden belast. Deze faciliteit kan ongewenst uitpakken bij een fictief regulier voordeel uit de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap. Voorgesteld wordt dat de faciliteit voor een vererfd aanmerkelijk belang niet kan worden toegepast op dit fictieve voordeel. Bovendien voorkomt de maatregel dubbele heffing. Zonder uitsluiting kan het maximumbedrag van € 500.000 niet worden verhoogd, waardoor bij een ongewijzigde schuld in een volgend jaar opnieuw een fictief regulier voordeel ontstaat.
Tarieven en heffingskortingen 2027
De tarieven en heffingskortingen in de inkomstenbelasting zien er als volgt uit.
| 2027 | 2026 | |
|---|---|---|
| Tarief schijf 1 | 36,23% | 35,75% |
| Tarief schijf 2 | 38,16% | 37,56% |
| Tarief schijf 3 | 49,5% | 49,5% |
| Grens schijf 1 | € 39.247 | € 38.883 |
| Grens schijf 2 | € 78.426 | € 78.426 |
| Algemene heffingskorting, maximaal | € 3.154 | € 3.115 |
| Arbeidskorting, maximaal | € 5.929 | € 5.685 |
| IACK, maximaal | € 2.918 | € 3.032 |
| Jonggehandicaptenkorting | € 935 | € 923 |
| Zelfstandigenaftrek | € 900 | € 1.200 |
| Startersaftrek | € 10 | € 2.123 |
| Stakingsaftrek | € 908 | € 3.630 |
| Mkb-winstvrijstelling | 12,7% | 12,7% |
* Voor mensen die geboren zijn voor 1 januari 1946 geldt een hogere bovengrens van schijf 1 van € 41.637.
Vrijheidsbijdrage
De wettelijke inflatiecorrectie vindt jaarlijks plaats door toepassing van de zogenoemde tabelcorrectiefactor. Het kabinet stelt voor dat burgers en (in beperkte mate) bedrijven de vrijheidsbijdrage leveren in de vorm van een beperking van de toepassing van de wettelijke inflatiecorrectie. De tabelcorrectiefactor wordt beperkt toegepast in de inkomsten- en loonbelasting voor 2027 en 2028. Normaal zou de inflatiecorrectie 2,6% bedragen (factor 1,026) in 2027, maar nu wordt slechts 48% toegepast (factor 1,01248). Daardoor stijgen tariefschijven, heffingskortingen en enkele andere bedragen minder sterk.
Brouwers waarschuwen voor hogere belasting op bier
Brancheorganisatie Nederlandse Brouwers is een petitie gestart tegen nieuwe belastingverhogingen op bier. De organisatie vreest dat de biersector te maken krijgt met meerdere lastenverzwaringen tegelijk. Aanleiding zijn plannen rond de bieraccijns, de belasting op water en het speciale tarief voor kleine brouwerijen.
Volgens de brancheorganisatie staat de Nederlandse biermarkt al langere tijd onder druk. De verkoop neemt af en brouwerijen verdienen volgens de organisatie slechts enkele centen aan een flesje bier. Nieuwe belastingmaatregelen kunnen daardoor vooral voor kleinere brouwerijen grote financiële gevolgen hebben.
De brouwers verwachten onder meer een verhoging van de bieraccijns door indexatie. Daarnaast dreigt een hogere heffing op water en mogelijk het verdwijnen van het lagere accijnstarief voor kleine brouwerijen. Nederlandse Brouwers vreest dat deze combinatie voor sommige bedrijven te zwaar wordt.
Ook horecaondernemers en winkels kunnen volgens de organisatie de gevolgen merken. Daarbij wordt vooral gewezen op de grensregio’s. Bier is in België en Duitsland vaak goedkoper, waardoor Nederlandse consumenten hun aankopen over de grens kunnen doen. Hogere belastingen kunnen dit verschil verder vergroten.
Volgens Nederlandse Brouwers bestaat de verkoopprijs van bier in Nederland momenteel al voor ongeveer 30 procent uit belastingen. De organisatie stelt dat de belastingdruk op bier hierdoor veel hoger ligt dan in Duitsland. Daar wordt bier volgens de brancheorganisatie juist ontzien bij verhogingen van de accijns.
De biersector heeft daarom een open brief gestuurd aan de premier, vicepremiers en fractievoorzitters van de coalitiepartijen. Met de petitie wil de sector voorkomen dat de belastingdruk verder stijgt en de concurrentiepositie van Nederlandse brouwerijen verslechtert.
Bron: ANP
Overheidsorganisaties willen af van dwangsommen bij te late besluiten
Verschillende Nederlandse overheidsorganisaties onderzoeken samen of zij kunnen stoppen met het betalen van dwangsommen aan burgers die te lang op een besluit moeten wachten. Dat blijkt uit onderzoek van Trouw.
Organisaties zoals het UWV en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) betalen jaarlijks tientallen miljoenen euro’s aan dwangsommen. Deze bedragen kunnen worden opgelegd wanneer een overheidsorganisatie niet binnen de wettelijke termijn een beslissing neemt.
Uit documenten die Trouw heeft ingezien, blijkt dat de IND hierover contact heeft gezocht met andere uitvoeringsorganisaties. Zo heeft de dienst aan de Dienst Toeslagen voorgesteld om gezamenlijk te onderzoeken of het mogelijk is de wettelijke dwangsom af te schaffen.
Ook heeft de IND de landsadvocaat gevraagd welke juridische mogelijkheden daarvoor bestaan. Een woordvoerder van de dienst bevestigt dat hierover overleg plaatsvindt met onder meer de Dienst Toeslagen en het UWV.
De dwangsom is bedoeld als financiële prikkel voor de overheid om tijdig besluiten te nemen. Voor burgers biedt de regeling tegelijkertijd een middel om druk uit te oefenen wanneer een beslissing lang op zich laat wachten. Afschaffing ervan zou deze mogelijkheid beperken.
Of de dwangsommen daadwerkelijk verdwijnen, is nog niet duidelijk. Vooralsnog gaat het om overleg tussen de betrokken overheidsorganisaties en onderzoek naar de juridische mogelijkheden.
Bron: Trouw
UWV controleert alsnog 13.000 extra WIA-uitkeringen
Het UWV gaat 13.000 extra WIA-uitkeringen handmatig controleren op mogelijke fouten. Deze mensen kregen eerder te horen dat controle van hun uitkering niet nodig was. Door een verruiming van de selectiecriteria worden hun dossiers nu alsnog onderzocht. Zij worden hierover in oktober geïnformeerd.
In totaal gaat het om ongeveer 73.000 WIA-uitkeringen waarbij mogelijk fouten zijn gemaakt bij de berekening van het dagloon. Van circa 21.000 uitkeringen heeft het UWV inmiddels vastgesteld dat het bedrag correct is berekend. Voor de overige 52.000 gevallen is een handmatige beoordeling nodig.
Tijdens eerdere controles gaven medewerkers van het UWV aan dat mogelijk niet alle uitkeringen met een fout waren geselecteerd. Daarop heeft de uitkeringsinstantie de gebruikte criteria opnieuw onderzocht en aangepast. Hierdoor komen nu meer dossiers in aanmerking voor controle.
De problemen spelen al langere tijd. Het UWV heeft jarenlang fouten gemaakt bij het vaststellen van WIA-uitkeringen. Uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer bleek dat de organisatie veel aandacht had voor het wegwerken van achterstanden, terwijl er onvoldoende aandacht was voor de juistheid van de berekeningen.
Hierdoor hebben mogelijk tienduizenden mensen een verkeerde uitkering ontvangen. Het UWV begint dit najaar met het betalen van vergoedingen aan mensen die hierdoor zijn benadeeld. Uitkeringsgerechtigden die te weinig hebben ontvangen, krijgen het ontbrekende bedrag alsnog. Mensen die door een fout juist te veel WIA-uitkering hebben ontvangen, hoeven het verschil niet terug te betalen.
Bron: ANP
Geen arbeidskorting na ziekmelding
Ziektewetuitkeringen worden alleen als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking aangemerkt als deze worden genoten tijdens een bestaande dienstbetrekking. Als de dienstbetrekking is beëindigd, vormen de uitkeringen geen inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking. In dat geval bestaat er geen recht op arbeidskorting.
Uitzendovereenkomst
Op 25 november 2021 sluit een man een uitzendovereenkomst (fase A). Deze overeenkomst bevat een belangrijke bepaling: de dienstbetrekking eindigt van rechtswege bij ziekmelding. In 2022 meldt de man zich ziek in week 7 en opnieuw van week 14 tot en met 52. Voor deze periodes ontvangt hij een ziektewetuitkering. In zijn aangifte 2022 geeft de man € 26.962 aan als inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking en claimt hij een arbeidskorting van € 4.008. De inspecteur stelt de arbeidskorting vast op € 915.
Arbeidskorting
De rechtbank oordeelt dat de ziekmelding de dienstbetrekking heeft beëindigd. De ziektewetuitkering die de man in week 7 van 2022 heeft ontvangen, kan daarom niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Er bestaat over dit bedrag geen recht op arbeidskorting. Wanneer de man vanaf week 8 weer arbeid verricht, is er sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Dit volgt uit de contractuele bepaling dat partijen een nieuwe overeenkomst moeten sluiten als de eerdere dienstbetrekking wegens ziekte is beëindigd. Deze nieuwe dienstbetrekking eindigt vervolgens van rechtswege met de tweede ziekmelding van de man. Hierdoor kunnen ook de ziektewetuitkeringen die de man heeft ontvangen in de weken 14 tot en met 52 van 2022 niet worden gerekend tot inkomen uit een tegenwoordige dienstbetrekking. Ook over deze bedragen bestaat dus geen recht op arbeidskorting.