Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Kijk niet naar jarenreeks bij toets buitensporigheid box 3

De belastingrechter kan rechtsherstel bieden voor box 3 voor de jaren 2013 – 2016 als de heffing een buitensporige en individuele last vormt. Bij deze toets dient men volgens Rechtbank Den Haag niet te kijken over een langere reeks van jaren.

Het box 3-vermogen van een man overtreft in de jaren 2014, 2015 en 2016 de € 1 miljoen. Hij ontvangt in deze jaren € 21.640 (2014), € 27.926 (2015) en € 29.872 (2016) aan dividend. Daarnaast ontvangt hij € 1.873 (2014), € 2.364 (2015) en € 2.180 (2016) aan rente. De man betaalt over de jaren 2014, 2015 en 2016 € 11.345 respectievelijk € 12.684 en € 13.906 aan box 3-belasting. Tegen deze heffingen tekent hij bezwaar en beroep aan. In de beroepsprocedure verwijst hij naar diverse arresten van de Hoge Raad op 14 juni 2019 (zoals ECLI:NL:HR:2019:816). In deze arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de box 3-heffing op stelselniveau in strijd s met het Europese eigendomsrecht. Volgens de Hoge Raad is in 2013 en 2014 over een lange reeks van jaren een rendement van 1,2% niet meer haalbaar zonder risico’s te nemen.

Deze strijdigheid met het eigendomsrecht betekent niet dat de belastingrechter altijd rechtsherstel moet bieden door de wet terzijde te schuiven. Deze vorm van rechtsherstel is voor de jaren 2013 – 2016 alleen toegestaan als de box 3-heffing een buitensporige en individuele last vormt. Volgens de man verkeert hij in deze situatie. Hij stelt over een periode van achttien jaar slechts € 4.208 aan rente te hebben ontvangen, terwijl hij € 179.368 aan vermogensrendementsheffing zou hebben betaald. Rechtbank Den Haag stelt echter dat men bij de toets of er sprake is van een individuele en buitensporige last, niet kijkt over een langere reeks van jaren. De rechtbank kijkt wel naar het vermogen van de man. Ook zijn totale inkomsten over de vermogensbestanddelen in box 3 zijn van belang. De rechtbank vindt het al met al niet-aannemelijk dat de man heeft moeten interen op zijn vermogen en verklaart zijn beroep ongegrond.

Bron: Rechtbank Den Haag 1 maart 2022 (gepubliceerd 26 juli 2022