Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Geen schending eigendomsrecht bij terugwerkende kracht verhuurderheffing

Deze zaak maakt deel uit van een cluster van 24 procedures over de verhuurderheffing voor de jaren 2019 en 2020, samen goed voor een betwist bedrag van ruim € 613 miljoen.

In deze zaak gaat het om een stichting die sociale huurwoningen verhuurt en daarbij zowel enige eigenaar als mede-eigenaar is. Deze situatie komt in het cluster slechts één keer voor.

De stichting procedeert alleen over het jaar 2020. Daardoor gaat de zaak niet over mogelijke discriminatie van enige eigenaren in 2019, maar draait het volledig om de terugwerkende kracht van artikel 1.6a van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 (Wmw).
Wat ligt er voor?

In hoger beroep stonden drie vragen centraal:

Schendt de terugwerkende kracht van artikel 1.6a Wmw het eigendomsrecht?

Leidt dit in 2020 tot discriminatie van enige eigenaren?

Schendt de regeling het eigendomsrecht van mede-eigenaren, en zou de verhuurderheffing daarom terugbetaald moeten worden?

Oordeel van Hof Den Haag

Het Hof beoordeelde als eerste de terugwerkende kracht van de wet en oordeelde dat die niet onrechtmatig is.

Er was geen sprake van geschonden gerechtvaardigde verwachtingen.

Er was ook geen verstoorde balans tussen het algemeen belang en het individuele belang.

Daarom zijn mede-eigenaren ook in 2020 gewoon verhuurderheffing verschuldigd.

Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling van enige eigenaren ten opzichte van mede-eigenaren.

Cassatie en conclusie A-G

De stichting stelde cassatie in bij de Hoge Raad en betoogde dat het Hof de terugwerkende kracht ten onrechte toelaatbaar had geacht.

Volgens de advocaat-generaal (A-G) is dat niet het geval. Hij vindt het cassatieberoep ongegrond.
Samenvatting

Terugwerkende kracht van artikel 1.6a Wmw is volgens het Hof wettelijk toelaatbaar.

Er is geen sprake van schending van eigendomsrechten of discriminatie.

De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep af te wijzen.