
Naheffingsaanslag kansspelbelasting blijft in stand
Een besloten vennootschap die kansspelautomaten verhuurt aan gelieerde speelautomatenhallen, kreeg een naheffingsaanslag kansspelbelasting voor de maand februari 2020. De belasting over die periode was te laat of onjuist betaald. Hoewel de onderneming over de periode 2017 tot en met 2023 steeds belasting heeft voldaan, werd juist voor deze maand een correctie opgelegd.
Bij Rechtbank Den Haag verzette de onderneming zich tegen de naheffingsaanslag, maar zonder succes.
Geen verboden belasting volgens Europese regels
De onderneming voerde aan dat de kansspelbelasting eigenlijk een verboden omzetbelasting zou zijn, op grond van artikel 401 van de Btw-richtlijn. De rechtbank verwierp dit argument. Volgens haar heeft de kansspelbelasting niet de kenmerken van een omzetbelasting, en is deze dus toegestaan.
Rechtsbeginselen niet geschonden
De onderneming stelde ook dat de heffing in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook dat werd afgewezen. De rechtbank gaf aan dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het belasten van kansspelautomaten en hierbij rekening heeft gehouden met de financiële impact voor exploitanten.
Geen ongelijke behandeling
Het beroep op ongelijke behandeling en discriminatie werd eveneens verworpen. De rechtbank vond dat speelautomaten in hallen niet op dezelfde manier opereren als kermisautomaten. Ook het verschil met horeca-exploitanten is gerechtvaardigd, gezien de verschillen in gebruik, locatie en toezicht.
Geen sprake van verboden staatssteun
Tot slot wees de rechtbank ook het beroep op verboden staatssteun af. Zelfs als kermisautomaten ten onrechte vrijgesteld zouden zijn van belasting, betekent dit niet dat andere exploitanten daardoor vrijgesteld worden van hun eigen verplichtingen.
Uitkomst
De naheffingsaanslag blijft in stand.
Alle bezwaren van de onderneming zijn verworpen.
Het beroep is ongegrond verklaard.