Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Verkoop grond door echtpaar met hulp van aannemer is btw-plichtige economische activiteit

Een Pools echtpaar had verschillende stukken landbouwgrond in eigendom gekregen via een overeenkomst voor bedrijfsoverdracht. Later verkochten zij negentien onbebouwde percelen. Deze verkopen vonden plaats zonder btw.

In 2011 sloten ze een overeenkomst met een aannemer. De aannemer kreeg de opdracht om een deel van de grond te ontwikkelen voor woningbouw en verkoop.

De belastingdienst vond dat hier sprake was van een economische activiteit (ondernemerschap) en geen normaal vermogensbeheer. Daarom hadden de verkopen btw-plichtig moeten zijn.

De Poolse rechter legde de zaak voor aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU) met vragen over het begrip economische activiteit.
Oordeel van het HvJ EU

Volgens het Hof kan iemand als btw-plichtige ondernemer worden aangemerkt als:

Die persoon grond verkoopt die eerst tot het privévermogen behoorde;

En hij of zij schakelt een professionele partij in (zoals een aannemer) om actief stappen te zetten voor de verkoop;

Daarbij worden middelen gebruikt die lijken op wat een bedrijf of handelaar zou doen.

Verder oordeelt het Hof dat:

De gezamenlijke verkoop door echtgenoten ook als een economische activiteit kan worden beschouwd;

Mits zij de grond samen hebben verkocht en daarbij gezamenlijk het risico van de verkoop hebben gedragen.

Wat betekent dit?

Als iemand actief en professioneel grond verkoopt, met hulp van een aannemer en vergelijkbare inzet als een ondernemer, dan is dat geen passieve vermogensbeheersactiviteit meer. In dat geval is sprake van een btw-plichtige economische activiteit – ook als het oorspronkelijk privégrond was.

En ook een echtpaar dat gezamenlijk optreedt bij zo’n verkoop, kan dan als gezamenlijke ondernemer worden aangemerkt voor de btw.

Geen verlaging gebruikelijk loon bij te late aangifte

Een directeur-grootaandeelhouder diende zijn aangifte inkomstenbelasting over 2020 niet op tijd in, ondanks een correcte herinnering en aanmaning van de Belastingdienst. Hierdoor was sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast: de Belastingdienst hoefde niet te bewijzen dat de vastgestelde inkomsten juist zijn, maar de belastingplichtige moest zelf aantonen dat ze onjuist zijn.

De Belastingdienst stelde het belastbaar inkomen vast op € 46.000. Dit bestond uit een bekend loon van € 600 en een geschat gebruikelijk loon van € 45.400, op basis van de gebruikelijkloonregeling.
Oordeel van de rechtbank

Rechtbank Zeeland-West-Brabant vond de schatting niet onredelijk of willekeurig, gezien de rol van de belastingplichtige als directeur-grootaandeelhouder van meerdere vennootschappen.

De belastingplichtige kon niet aantonen dat het loon in werkelijkheid lager moest zijn. Ook heeft hij niet bewezen dat er sprake was van een structurele verliesgevende situatie, wat een lager loon zou kunnen rechtvaardigen.
Boete blijft staan

De opgelegde verzuimboete van € 385 voor het niet op tijd indienen van de aangifte blijft in stand. De rechtbank vond geen bijzondere omstandigheden die een verlaging van de boete rechtvaardigen.

Hoewel de procedure één maand langer duurde dan wenselijk (overtreding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM), is er geen extra compensatie nodig. Omdat de boete lager is dan € 1.000, is het voldoende dat de rechter deze overschrijding vaststelt.
Uitkomst

Het geschatte loon van € 46.000 blijft gehandhaafd.

De verzuimboete van € 385 blijft staan.

Het beroep is ongegrond verklaard.

Nederland mag belasting heffen over volledige WGA-uitkering van grensarbeider

Een man die sinds 2010 in Duitsland woont, ontving in 2018 een WGA-uitkering (arbeidsongeschiktheidsuitkering) van het UWV. Het ging om een bedrag van € 24.504. De vraag in deze zaak was of Nederland terecht belasting heeft geheven over die uitkering.

De man vond van niet. Volgens hem hoorde een deel van de uitkering bij voorgaande jaren, en was het deel dat op 2018 zelf zag lager dan € 15.000. Volgens het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland mag Nederland alleen belasting heffen over een uitkering als het jaarbedrag meer is dan € 15.000.
Oordeel van de rechtbank

Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgt die redenering niet. Volgens de rechter gaat het bij belastingheffing om het moment waarop de uitkering wordt ontvangen, niet over welk jaar de uitkering inhoudelijk gaat.

Omdat de man het volledige bedrag van € 24.504 in 2018 heeft ontvangen, is het bedrag in dat jaar boven de grens van € 15.000. Daarom mocht de Belastingdienst de hele uitkering in 2018 belasten.
Uitkomst

De WGA-uitkering mag in Nederland worden belast, ook al woont de uitkeringsontvanger in Duitsland.

Het belastingverdrag tussen Nederland en Duitsland staat dat toe als het bedrag in één jaar meer is dan € 15.000.

De navorderingsaanslag inkomstenbelasting over 2018 blijft in stand.

Het beroep van de man is ongegrond verklaard.

Geen geslaagd beroep op vertrouwen of lager loon

Een belastingplichtige had een aanmerkelijk belang in bedrijf A. Voor de jaren 2012 tot en met 2014 stelde de Belastingdienst haar gebruikelijk loon vast op respectievelijk € 42.000, € 43.000 en € 44.000.

Ook haar echtgenoot, die eveneens bij het bedrijf werkte, kreeg een correctie. Zijn loon werd aanvankelijk vastgesteld op € 108.000 per jaar, gebaseerd op 75% van het gemiddelde loon van een directeur verkoop.

Later verlaagde de Belastingdienst het gebruikelijk loon van de echtgenoot alsnog naar dezelfde bedragen als voor de vrouw: € 42.000, € 43.000 en € 44.000. De correctie voor de vrouw zelf bleef echter volledig in stand.
Bezwaarschrift en hoger beroep zonder succes

De vrouw maakte bezwaar tegen de looncorrectie, maar dat werd afgewezen. Ook haar beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij Hof Den Bosch hadden geen succes.

Het Hof oordeelde dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het loon in de betreffende jaren lager dan het vastgestelde bedrag had moeten zijn. Ook haar beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen.
Uitkomst

De gebruikelijkloonregeling is correct toegepast.

De belastingplichtige krijgt geen gelijk in bezwaar, beroep of hoger beroep.

Het gebruikelijk loon blijft vastgesteld op € 42.000, € 43.000 en € 44.000 voor de jaren 2012–2014.

Het hoger beroep is daarmee ongegrond verklaard.

Geen aftrek voor btw bij herkwalificatie, maar teruggaaf moet wél mogelijk zijn

Tussen november 2015 en juli 2016 kreeg het Roemeense bedrijf Greentech een belastingcontrole. De controle leidde tot een naheffingsaanslag van ruim 4,3 miljoen Roemeense leu (ongeveer € 882.000) aan btw en bijkomende kosten.

De aanleiding was de aankoop van apparatuur van het zusterbedrijf Greenfiber International SA. In eerste instantie werd deze overdracht gezien als een gewone levering van goederen met btw, waardoor Greentech recht had op aftrek van voorbelasting. Later oordeelde de belastingdienst echter dat het ging om een overdracht van een bedrijfsdeel tussen verbonden bedrijven, een handeling die volgens de Roemeense wet niet belast is met btw.

Opvallend is dat de Roemeense belastingdienst eerder bij Greenfiber bij een soortgelijke controle in 2015 wél had geoordeeld dat er sprake was van een btw-plichtige levering.

De hoogste Roemeense rechter legde de zaak voor aan het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU). De vraag:
Mag een belastingdienst eenzelfde handeling op twee totaal verschillende manieren behandelen? En mag btw-aftrek dan worden geweigerd, terwijl de belasting wel is afgedragen?
Oordeel van het Hof van Justitie

Volgens het HvJ EU mogen lidstaten weigeren om btw-aftrek toe te staan als een handeling achteraf wordt herzien en blijkt dat deze niet btw-plichtig is. Dat geldt ook als het voor het bedrijf moeilijk of onmogelijk is om de ten onrechte betaalde btw terug te vragen bij de leverancier.

Wel zegt het Hof:

In zo’n geval moet het bedrijf rechtstreeks bij de belastingdienst om teruggaaf kunnen vragen.

Samengevat

Als een transactie na controle anders wordt beoordeeld, mag btw-aftrek geweigerd worden.

Zelfs als btw is betaald en afgedragen, hoeft die niet per se terug te komen via de aftrek.

Maar dan moet er een andere route zijn: het bedrijf moet bij de belastingdienst zelf een teruggaafverzoek kunnen indienen.

Het Hof beschermt zo het belang van rechtszekerheid én zorgt ervoor dat bedrijven niet dubbel de dupe worden van administratieve herzieningen.

Naheffingsaanslag kansspelbelasting blijft in stand

Een besloten vennootschap die kansspelautomaten verhuurt aan gelieerde speelautomatenhallen, kreeg een naheffingsaanslag kansspelbelasting voor de maand februari 2020. De belasting over die periode was te laat of onjuist betaald. Hoewel de onderneming over de periode 2017 tot en met 2023 steeds belasting heeft voldaan, werd juist voor deze maand een correctie opgelegd.

Bij Rechtbank Den Haag verzette de onderneming zich tegen de naheffingsaanslag, maar zonder succes.
Geen verboden belasting volgens Europese regels

De onderneming voerde aan dat de kansspelbelasting eigenlijk een verboden omzetbelasting zou zijn, op grond van artikel 401 van de Btw-richtlijn. De rechtbank verwierp dit argument. Volgens haar heeft de kansspelbelasting niet de kenmerken van een omzetbelasting, en is deze dus toegestaan.
Rechtsbeginselen niet geschonden

De onderneming stelde ook dat de heffing in strijd zou zijn met algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Ook dat werd afgewezen. De rechtbank gaf aan dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het belasten van kansspelautomaten en hierbij rekening heeft gehouden met de financiële impact voor exploitanten.
Geen ongelijke behandeling

Het beroep op ongelijke behandeling en discriminatie werd eveneens verworpen. De rechtbank vond dat speelautomaten in hallen niet op dezelfde manier opereren als kermisautomaten. Ook het verschil met horeca-exploitanten is gerechtvaardigd, gezien de verschillen in gebruik, locatie en toezicht.
Geen sprake van verboden staatssteun

Tot slot wees de rechtbank ook het beroep op verboden staatssteun af. Zelfs als kermisautomaten ten onrechte vrijgesteld zouden zijn van belasting, betekent dit niet dat andere exploitanten daardoor vrijgesteld worden van hun eigen verplichtingen.
Uitkomst

De naheffingsaanslag blijft in stand.

Alle bezwaren van de onderneming zijn verworpen.

Het beroep is ongegrond verklaard.

Rechter vernietigt tweede informatiebeschikking over bitcoins

ijdens een boekenonderzoek naar de inkomstenbelasting en omzetbelasting vroeg de Belastingdienst een belastingplichtige om informatie over zijn bezit van bitcoins in de jaren 2016 tot en met 2018. Er werd gevraagd hoe hij de bitcoins had verkregen, bewaard en verkocht.

De eerste keer dat dit verzoek werd gedaan, leidde dit tot een informatiebeschikking, omdat de gevraagde gegevens volgens de Belastingdienst onvoldoende waren. Deze beschikking werd echter vernietigd na bezwaar.

Daarna vroeg de Belastingdienst opnieuw om informatie over de bitcoins. De belastingplichtige gaf aan dat hij alle beschikbare informatie al had verstrekt. Toch stelde de Belastingdienst een tweede informatiebeschikking vast, nu specifiek voor de controle van de inkomstenbelasting over 2018 (en mogelijk ook met gevolgen voor de omzetbelasting over dat jaar).
Oordeel van de rechtbank

Rechtbank Noord-Holland vernietigde ook deze tweede beschikking. Volgens de rechtbank ging het opnieuw om dezelfde vragen als bij de eerste beschikking: hoe de bitcoins waren verkregen, bewaard en verkocht.

De Belastingdienst mocht niet opnieuw een beschikking vaststellen over dezelfde informatie die eerder al onderwerp van bezwaar en beoordeling was.
Uitkomst

De tweede informatiebeschikking is vernietigd.

De Belastingdienst mag geen herhaald verzoek doen over dezelfde informatie, tenzij er nieuwe omstandigheden zijn.

Deze uitspraak onderstreept dat de Belastingdienst zorgvuldig moet omgaan met herhaalde informatieverzoeken binnen dezelfde controleperiode.

Navorderingsaanslagen blijven staan, boete verlaagd bij vrijwillige inkeer buitenlands vermogen

Een man met de Italiaanse nationaliteit is in 2006 naar Nederland verhuisd. In zijn belastingaangiften over de jaren 2010 tot en met 2016 heeft hij niet al zijn buitenlandse vermogen opgegeven. Het ging om bankrekeningen, aandelen en een onroerende zaak in landen zoals Australië, Jersey en de Verenigde Staten.

Later meldde hij dit alsnog via de vrijwillige inkeerregeling bij de Belastingdienst.
Navorderingsaanslagen en boetes

De Belastingdienst legde hem daarop navorderingsaanslagen op voor de gemiste belasting over die jaren, en daarnaast ook vergrijpboetes van 60%, met een totaalbedrag van € 172.250.

Bij de Rechtbank Gelderland draaide het om twee vragen:

Was de Belastingdienst wel voortvarend genoeg te werk gegaan?

Waren de boetes te hoog gezien de omstandigheden?

Oordeel van de rechtbank

De Rechtbank vond dat de Belastingdienst voldoende voortvarend had gehandeld.

De zogenaamde ‘voortvarendheidseis’ geldt niet voor vermogen in derde landen zoals Australië en de VS. De navorderingsaanslagen blijven daarom in stand.

De boetes werden wel te hoog gevonden. Hoewel er sprake was van grove schuld, vond de rechtbank dat er een wanverhouding bestond tussen de hoogte van de boetes en de ernst van het vergrijp.

De boetes werden verlaagd tot een totaalbedrag van € 50.000.

Tot slot werd hierop nog een extra vermindering van 10% toegepast vanwege vertraging in de procedure (undue delay).
Samengevat

De belastingaanslagen blijven volledig in stand.

De boetes zijn flink verlaagd, van € 172.250 naar € 50.000 minus 10%.

De vrijwillige inkeer heeft geen volledige bescherming tegen boetes opgeleverd, maar wel geleid tot matiging.

Geen schending eigendomsrecht bij terugwerkende kracht verhuurderheffing

Deze zaak maakt deel uit van een cluster van 24 procedures over de verhuurderheffing voor de jaren 2019 en 2020, samen goed voor een betwist bedrag van ruim € 613 miljoen.

In deze zaak gaat het om een stichting die sociale huurwoningen verhuurt en daarbij zowel enige eigenaar als mede-eigenaar is. Deze situatie komt in het cluster slechts één keer voor.

De stichting procedeert alleen over het jaar 2020. Daardoor gaat de zaak niet over mogelijke discriminatie van enige eigenaren in 2019, maar draait het volledig om de terugwerkende kracht van artikel 1.6a van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 (Wmw).
Wat ligt er voor?

In hoger beroep stonden drie vragen centraal:

Schendt de terugwerkende kracht van artikel 1.6a Wmw het eigendomsrecht?

Leidt dit in 2020 tot discriminatie van enige eigenaren?

Schendt de regeling het eigendomsrecht van mede-eigenaren, en zou de verhuurderheffing daarom terugbetaald moeten worden?

Oordeel van Hof Den Haag

Het Hof beoordeelde als eerste de terugwerkende kracht van de wet en oordeelde dat die niet onrechtmatig is.

Er was geen sprake van geschonden gerechtvaardigde verwachtingen.

Er was ook geen verstoorde balans tussen het algemeen belang en het individuele belang.

Daarom zijn mede-eigenaren ook in 2020 gewoon verhuurderheffing verschuldigd.

Er is dus geen sprake van ongelijke behandeling van enige eigenaren ten opzichte van mede-eigenaren.

Cassatie en conclusie A-G

De stichting stelde cassatie in bij de Hoge Raad en betoogde dat het Hof de terugwerkende kracht ten onrechte toelaatbaar had geacht.

Volgens de advocaat-generaal (A-G) is dat niet het geval. Hij vindt het cassatieberoep ongegrond.
Samenvatting

Terugwerkende kracht van artikel 1.6a Wmw is volgens het Hof wettelijk toelaatbaar.

Er is geen sprake van schending van eigendomsrechten of discriminatie.

De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep af te wijzen.

Indeling wallbox in douanetarief blijft staan

Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld over de douanetechnische indeling van een wallbox (laadstation voor elektrische auto’s) in de Gecombineerde Nomenclatuur (GN). De Douane gaf op 9 december 2022 een bindende tariefinlichting (bti) af en deelde het product in onder Taric-code 8537 1091 99.

De leverancier van de wallbox was het hier niet mee eens. Volgens haar hoort de wallbox onder een andere tariefcode te vallen, die zou zorgen voor een lager invoertarief.
Vertrouwensbeginsel: geen toezegging gedaan

De leverancier stelde dat ze mocht vertrouwen op een eerdere beslissing van de Douane, waarbij een vergelijkbaar product anders werd ingedeeld. De Rechtbank ging daar niet in mee. Er was geen toezegging gedaan die duidelijk en onvoorwaardelijk was.
Gelijkheidsbeginsel: geen bewijs voor identiek product

Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagde niet. De leverancier had niet kunnen aantonen dat het andere, eerder beoordeelde product precies hetzelfde was als deze wallbox.
Uitspraak

De indeling onder Taric-code 8537 1091 99 blijft van kracht.

Het beroep is ongegrond verklaard.

Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.

De leverancier moet zich dus houden aan de oorspronkelijke tariefindeling zoals vastgesteld door de Douane.