Jan van Nassaustraat 21, 2596 BL Den Haag
Ma – Vr 8:30 – 17:30
post@driessenaccountancy.nl

Vanaf 2026: digitale afhandeling btw-teruggaaf aan niet-EU-reizigers

Het proces voor de btw-teruggaaf aan reizigers van buiten de EU wordt vanaf 1 januari 2026 volledig digitaal.

Niet-EU-reizigers die goederen in Nederland kopen en deze meenemen in hun persoonlijke bagage naar een land buiten de EU, kunnen de btw op die aankopen terugvragen. Op dit moment kan de uitvoer van die goederen nog worden bevestigd met een fysiek stempel van de Douane, of via een digitaal systeem.

Vanaf 2026 vervalt de mogelijkheid om goederen fysiek te laten afstempelen bij vertrek vanuit Nederland. Dit gebeurt om lange wachtrijen op bijvoorbeeld luchthavens te voorkomen en het proces sneller en efficiënter te maken.
Wat verandert er?

Alleen digitale uitvoervalidatie is nog toegestaan voor goederen die in Nederland zijn gekocht en ook vanuit Nederland worden uitgevoerd.

De Douane en Belastingdienst kunnen hiermee beter controleren of goederen de EU echt verlaten.

Dit helpt ook leveranciers om het btw-nultarief correct toe te passen.

De nieuwe werkwijze vermindert de administratieve lasten voor reizigers en betrokken instanties.

De wijziging is vastgelegd in Staatscourant 2025, nummer 6959, en geldt vanaf 1 januari 2026.

Vanaf 12 maart 2025: online teruggaaf milieubelasting aanvragen mogelijk

Vanaf 12 maart 2025 kunnen aanvragen voor teruggaaf van milieubelasting online worden ingediend bij de Belastingdienst.

De online aanvraag biedt veel voordelen:

Het is gebruiksvriendelijk

De aanvraag wordt sneller verwerkt

De gegevens komen direct binnen bij de Belastingdienst

Voor wie?

Organisaties, bedrijven en instellingen kunnen inloggen met eHerkenning

Als een fiscaal dienstverlener de aanvraag doet, is eHerkenning niet nodig. Dan moet wel een ketenmachtiging geregeld zijn.

Particulieren kunnen inloggen met DigiD

Particulieren kunnen ook een fiscaal dienstverlener machtigen via DigiD

Met deze nieuwe online mogelijkheid wordt het aanvragen van milieubelastingteruggave eenvoudiger en sneller voor iedereen.

Btw-teruggaaf voor verhuur werkkamer aan eigen bv terecht toegekend

In 2018 kochten twee particulieren een nieuwbouwwoning in [Z], inclusief erfpachtrechten op een appartement en parkeerplaats. De woning is 137 m² groot. Bij de oplevering werd btw in rekening gebracht op facturen die op naam van beide kopers stonden.

Een van hen is directeur-grootaandeelhouder (dga) van een bv die actief is in fiscale dienstverlening. De bv heeft een huurovereenkomst gesloten voor het gebruik van een werkkamer van 9,8 m² in de woning. Deze kamer is bereikbaar via de hal en heeft geen eigen toilet of keuken. De verhuur begon op 1 april 2020 voor een periode van vijf jaar, met automatische verlenging. De huur bedraagt € 600 per kwartaal, exclusief btw.

De verhuur is belast met omzetbelasting. In de btw-aangifte over het eerste kwartaal van 2020 vroegen de eigenaren een btw-teruggaaf aan voor 7,15% van de voorbelasting, overeenkomstig het aandeel van de woning dat werd verhuurd.

De Belastingdienst weigerde deze teruggaaf, maar de Rechtbank Noord-Holland gaf de belastingplichtigen gelijk. In hoger beroep oordeelde ook Hof Amsterdam in hun voordeel.

Het Hof vond voldoende aannemelijk dat de bv de huur daadwerkelijk heeft betaald, dat de kamer alleen zakelijk wordt gebruikt en dat de huur niet symbolisch is. Omdat er sprake is van een duurzame verhuur tegen een reële vergoeding, is dit volgens het Hof een economische activiteit: het exploiteren van een vermogensbestanddeel met het doel om er blijvend opbrengst uit te halen (artikel 7, lid 2, onderdeel b, Wet OB 1968).

De gevraagde btw-teruggaaf is dus terecht toegekend.

Ruim half miljoen ondernemers kan niet rondkomen van eigen bedrijf

Uit het onderzoek ‘Ondernemen in 2024’ van de Kamer van Koophandel blijkt dat ongeveer 500.000 ondernemers in Nederland niet kunnen rondkomen van hun eigen bedrijf. Dit komt neer op meer dan één op de vijf ondernemers.

Van deze groep heeft één op de drie (bijna 170.000 ondernemers) nu al financiële problemen of verwacht die binnen zes maanden. Zij geven aan moeite te hebben met het betalen van hun zakelijke rekeningen en belastingen. Sommigen hebben zelfs al betaalachterstanden of schulden.

Een ongeveer even grote groep is ontevreden over de eigen bedrijfssituatie en geeft die een onvoldoende.

Niet bij iedereen is de situatie direct dringend. Twee derde van de ondernemers die zeggen niet rond te kunnen komen, heeft daarnaast nog ander inkomen, bijvoorbeeld uit loondienst, of ontvangt steun van een partner met inkomen.

Geen verlaagd btw-tarief voor e-books in 2019: beroep ongegrond

Een naamloze vennootschap (nv) verkoopt via een webwinkel e-books, luisterboeken en abonnementen op deze digitale producten. In deze zaak ging het specifiek om de vraag of de onderneming in het vierde kwartaal van 2019 recht had op het verlaagde btw-tarief voor boeken bij de verkoop van uitsluitend downloadbare e-books.
Wat stond centraal?

De onderneming stelde dat voor de e-books het verlaagde btw-tarief gold op basis van artikel 9, lid 2, onderdeel a, Wet OB 1968 in samenhang met tabel I, post a.30. Zij voerde daarbij drie argumenten aan:

Het begrip ‘boeken’ in post a.30 zou ook digitaal verstrekte boeken omvatten (bijvoorbeeld via een download).

De Btw-richtlijn zou rechtstreekse werking hebben en daardoor het verlaagde tarief afdwingen.

Na invoering van Richtlijn 2018/1713 zou het niet toepassen van het verlaagde tarief op e-books in strijd zijn met het beginsel van fiscale neutraliteit of het gelijkheidsbeginsel uit het EU-recht.

Oordeel van Hof Den Bosch

Het Hof verwerpt alle drie de stellingen. Belangrijk is dat het Nederlandse btw-tarief voor e-books pas per 1 januari 2020 is aangepast. Vanaf die datum is post b.21 toegevoegd aan tabel I, waarin expliciet staat dat ook het langs elektronische weg leveren van boeken onder het verlaagde tarief valt.

Voor het vierde kwartaal van 2019 gold dat nog niet, en dus moest het algemene btw-tarief worden toegepast.
Uitspraak

Het beroep is ongegrond.

De eerdere uitspraak van Rechtbank Noord-Holland blijft in stand, met verbetering van de gronden.

De NV had in Q4 van 2019 terecht het algemene btw-tarief toegepast op de verkoop van e-books.

Er is dus geen recht op het verlaagde btw-tarief voor e-books vóór 1 januari 2020.

Staatssecretaris: persoonlijk ondernemerschap wél meegenomen bij beoordeling arbeidsrelatie

De staatssecretaris van Financiën heeft Kamervragen beantwoord naar aanleiding van het bericht ‘Belastingdienst weegt persoonlijk ondernemerschap zelden mee in oordeel over schijnzelfstandigheid’, dat verscheen op Zipconomy, gebaseerd op een aflevering van de podcast BusySeasonTalks.

Volgens het bericht zou de Belastingdienst bij de beoordeling van arbeidsrelaties onvoldoende oog hebben voor persoonlijk ondernemerschap. De staatssecretaris weerspreekt dit.
Alle gezichtspunten worden meegewogen

De Belastingdienst neemt volgens de staatssecretaris alle relevante gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest mee bij de beoordeling van arbeidsrelaties, waaronder ook persoonlijk ondernemerschap. Dit blijkt uit het afwegingskader en de Toelichting beoordeling arbeidsrelaties, die beide openbaar zijn en op de website van de Belastingdienst staan.

Daarnaast wordt in de Handleiding bedrijfsbezoeken en boekenonderzoeken voor medewerkers nadrukkelijk aandacht besteed aan het kwalificeren van arbeidsrelaties, ook bij opdrachtgevers.
Hoge Raad: extern ondernemerschap kan doorslaggevend zijn

Op 21 februari 2025 gaf de Hoge Raad (zaaknr. 24/00877) antwoord op prejudiciële vragen over de rol van extern ondernemerschap bij het beoordelen van een arbeidsrelatie. De Belastingdienst zal volgens de staatssecretaris bij haar beoordelingen rekening houden met deze uitspraak.
Conclusie

De staatssecretaris onderstreept dat persoonlijk en extern ondernemerschap onderdeel zijn van de toetsing van arbeidsrelaties en dat signalen over het negeren hiervan onjuist zijn. De recente uitspraak van de Hoge Raad zal voortaan ook worden meegenomen in de werkwijze van de Belastingdienst.

Naheffing loonheffing thuiszorgbureau grotendeels in stand: sprake van fictieve dienstbetrekking

Een vennootschap onder firma (vof) bood tussen 17 februari 2006 en 17 april 2007 bemiddeling en advies in de particuliere thuiszorg. De onderneming regelde particuliere verpleging en verzorging via zelfstandige zorgverleners. Op 18 april 2007 zijn de activiteiten voortgezet in een besloten vennootschap (zie ook zaaknummer 22/2564).

Over de periode 1 januari 2006 tot en met 5 april 2007 kreeg de vof een naheffingsaanslag loonheffing opgelegd. Rechtbank Noord-Holland verminderde deze aanslag voor het jaar 2006.

De vof stelde hoger beroep in tegen de resterende aanslag.
Oordeel Hof Amsterdam

Het Hof bevestigt dat de naheffingsaanslag juist en tijdig is vastgesteld en bekendgemaakt. Samen met de Rechtbank oordeelt het Hof dat de relatie tussen het bemiddelingsbureau en de zorgverleners moet worden gezien als een fictieve dienstbetrekking op grond van artikel 2a van het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1965.

Hierdoor is het bemiddelingsbureau verplicht om loonheffing in te houden en af te dragen.

Het beroep van de vof op het gelijkheidsbeginsel en op gerechtvaardigd vertrouwen werd door het Hof afgewezen.
Uitzondering: proceskostenvergoeding

Het hoger beroep slaagt alleen voor wat betreft de proceskostenvergoeding die door de Rechtbank was toegekend.
Conclusie

Fictieve dienstbetrekking: de zorgverleners werkten in een verhouding die loonheffing verplicht maakt.

De naheffingsaanslag loonheffing blijft grotendeels in stand.

Alleen op het punt van de proceskostenvergoeding krijgt de vof gelijk.

Hoge Raad doet uitspraak over Uber-chauffeurs en arbeidsovereenkomsten

Heeft een Uber-chauffeur een arbeidsovereenkomst met Uber? Dit hangt mede af van de vraag of de chauffeur zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt. Daarbij kunnen ook factoren meespelen die buiten de directe relatie tussen Uber en de chauffeur vallen. Dit heeft de Hoge Raad op 21 februari 2025 bepaald in antwoord op prejudiciële vragen van het gerechtshof Amsterdam.
De zaak tussen Uber en FNV

Uber-chauffeurs bieden taxiritten aan via de Uber-app en werken volgens Uber als zelfstandige ondernemers. Vakbond FNV is het hier niet mee eens en stelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen Uber en de chauffeurs. Daarom wil FNV dat de rechter vaststelt dat de CAO Taxivervoer op hen van toepassing is en dat Uber zich hieraan moet houden.

De rechtbank in Amsterdam heeft de vakbond in het gelijk gesteld. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam vragen voorgelegd aan de Hoge Raad over hoe bepaald moet worden of er een arbeidsovereenkomst is.
Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad verwijst naar het Deliveroo-arrest van 24 maart 2023, waarin is bepaald dat er geen vaste volgorde is in de criteria waarmee wordt beoordeeld of iemand een arbeidsovereenkomst heeft.

In deze zaak benadrukt de Hoge Raad dat ‘ondernemerschap’ net zo zwaar weegt als andere factoren bij de beoordeling van een arbeidsrelatie. Dit betekent dat als een chauffeur zich in de praktijk als ondernemer gedraagt, dit van doorslaggevend belang kan zijn, zelfs als andere omstandigheden wijzen op een arbeidsovereenkomst.

Het gevolg hiervan is dat twee chauffeurs die hetzelfde werk doen voor Uber, verschillend beoordeeld kunnen worden. Een chauffeur die zich als ondernemer gedraagt, kan als zelfstandige worden gezien, terwijl een chauffeur zonder ‘ondernemerschap’ mogelijk wel een arbeidsovereenkomst heeft.

Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat ‘ondernemerschap’ breder bekeken moet worden dan alleen de relatie tussen Uber en de chauffeur. Ook factoren buiten deze directe relatie kunnen een rol spelen bij de beoordeling.

Deze uitspraak sluit grotendeels aan bij de conclusie van Advocaat-Generaal De Bock.

Uitspraak over compensatie kinderopvangtoeslag

Tussen 2004 en 2019 is bij veel ouders de kinderopvangtoeslag onterecht stopgezet en moesten zij eerder ontvangen toeslagen terugbetalen. Hierdoor kwamen zij in grote financiële problemen en onzekerheid. Het kabinet heeft hiervoor excuses aangeboden en een hersteloperatie opgezet. Deze wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Belastingdienst/Toeslagen, die nu Dienst Toeslagen heet.
Waar ging deze zaak over?

De zaak draait om de vraag hoe breed een aanvraag voor compensatie moet worden bekeken. De rechtbank in Rotterdam heeft bepaald dat een aanvraag betrekking heeft op alle jaren vóór 2020 waarin de aanvrager kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd of waarin Dienst Toeslagen hierover een besluit heeft genomen.

Dit betekent dat Dienst Toeslagen voor al deze jaren moet onderzoeken of de aanvrager recht heeft op herstelmaatregelen, tenzij de aanvrager zelf de aanvraag heeft beperkt. In deze zaak was dat niet het geval.
Wat heeft de rechtbank besloten?

Compensatie voor proceskosten is door Dienst Toeslagen correct vastgesteld.
Compensatie voor immateriële schade is terecht één keer toegekend aan de aanvrager (X).
Een deel van de zaak wordt terugverwezen naar Dienst Toeslagen, zodat deze opnieuw beoordeeld kan worden met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak verduidelijkt dat ouders die geraakt zijn door de toeslagenaffaire recht hebben op een breed onderzoek naar compensatie, tenzij ze zelf anders hebben aangegeven.

CBb vernietigt correctie-S&O-verklaring voor DGA

Een directeur-grootaandeelhouder (DGA) van een bv (hierna: X) werkte in 2020 het hele jaar voor X. In december 2020 werd het volledige gebruikelijke loon voor dat jaar in één keer uitbetaald en aangegeven bij de Belastingdienst. Tot en met november 2020 stond de DGA echter niet op de loonlijst van X.

Tijdens een controle werd dit vastgesteld, waarna de minister van Klimaat en Groene Groei op 14 september 2022 een correctie-S&O-verklaring afgaf. Hierdoor werden de eerder toegekende 1.040 S&O-uren teruggebracht naar 91 uur, wat resulteerde in een correctiebedrag van € 14.804. Volgens de minister kon de S&O-afdrachtvermindering alleen worden toegepast op personen die in dienstbetrekking stonden bij de aanvrager.
Oordeel van het CBb

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft geoordeeld dat de correctie-S&O-verklaring ten onrechte is afgegeven. De minister heeft onvoldoende onderbouwd waarom er in de periode januari tot en met november 2020 geen sprake zou zijn van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen de DGA en de bv.

Het CBb acht het aannemelijk dat de DGA in die periode wél een privaatrechtelijke dienstbetrekking had. Dat de Belastingdienst bij de loonbelasting uitging van een fictieve dienstbetrekking op basis van de Wet LB 1964, verandert hier niets aan.
Gevolg van de uitspraak

Het CBb heeft het besluit van 14 september 2022 herroepen. Dit betekent dat de correctie-S&O-verklaring ongeldig is verklaard en de oorspronkelijke S&O-uren mogelijk in stand blijven.